
Arthur Decock
Arthur (hij/hem) studeerde in 2020 af aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen als Master in het Drama, afstudeerrichting Woordkunst. Hij is blond, onzeker, vaak in de war en volgens zijn collega’s ‘te cynisch’. Hij heeft een roste kat, omdat hij gewoonweg niet wist dat die net wat dommer zijn dan andere katten. Naast dat alles, kijkt hij belachelijk veel anime.

…en ik zit met L en P en J en R aan een tafel in een kroeg en drink bier terwijl ik tussen mijn wimpers door, spichtig als een knaagdier, op en neer en op en neer en op en neer naar L kijk, die met haar wijsvinger over de rand van het bierglas dat voor haar staat strijkt, en ik kijk naar haar polsen en verlang naar haar.
Mijn verlangen naar L is visceraal en duister op zulke momenten, op momenten waarop ik als een verstrooide Werther jaloers ben op de stoelen waar ze op zit, de grond die ze bewandelt, de speld waarmee ze haar haar bijeenhoudt en de shampoo die ze vanochtend in datzelfde haar smeerde, die ze er daarna uitspoelde met een douchekop waar ik jaloers op ben die water over haar goot waar ik jaloers op ben, water over haar lijf, en ik denk daar bij hoe kleingeestig en hoe toxisch en hoe respectloos het is van me dat ik, bij het nadenken over haar lijf, mijn bloed voel koken en door mijn aderen stuiven, en dat ik, nu ik me bedenk hoe ze zichzelf afdroogt met een handdoek waar ik jaloers op ben, hoe het idee aan de ruwe gebaren waarmee ze de handdoek over haar vel beweegt, hoe het idee aan het flapperen van de handdoek, hoe dat me al bijna in staat van vervoering brengt, en terwijl ik blijf kijken naar haar vingers op het glas beeld ik me in dat ze uit de douche stapt en naar me glimlacht in de spiegel en zichzelf afdroogt en niets hieraan is seksueel, integendeel, er zit iets oerbraaf in hoe ik haar lijf bekijk en zij zichzelf afdroogt, het is bijna Bijbels, en als ik ooit in een dogma zou geloven, zou het met haar te maken moeten hebben, anders legt niemand me wat op. Ik sta op van de tafel en wandel naar de bar.
Ik bestel vier bier, leg mijn elleboog op de toog en kijk om me heen, als een vuurtorenlicht, rond en rond kijk ik om me heen, en ik bedenk me, het is niet gezond, hoe hard ik haar wil, hoe hard ik lijk te denken dat zij mijn redding kan zijn, en ik denk terug aan een sessie met een psycholoog die ik ooit bezocht, waarin ik over L vertelde: hoe ik soms voelde dat zij me zou kunnen redden, en dat ik datzelfde ooit dacht met theater of boeken schrijven of masturberen, en de psycholoog in kwestie me zei dat ik niet gered moest worden, dat we allemaal tegelijk gered en niet gered zijn, dat dat net het geheim is en ik haatte hoe die woorden als dikke naaktslakken uit zijn mond leken te kruipen en zijn ene knokige been over de andere was geslagen en hoe zijn boekenkasten om hem heen hem een robijnrode allure gaven en kon zijn gezicht niet eens bekijken toen hij me vroeg hoe ik me zou voelen als ik gered zou zijn, en hij sprak ‘gered’ uit met aanhalingstekens, met stoffige spottende aanhalingstekens die hij in de lucht maakte met lange twijgenvingers en die aanhalingstekens vulden me met een naar dikbruin moeras geurende kwaadheid in mijn onderbuik, want ik weet hoe ik me zou voelen als ik gered zou zijn, ik zou deze zwaarte niet voelen, dat donkere, dat beklemmende, die kille handen, die koude zenuwen, het hart dat niet snel genoeg pompt en dan op sommige duistere momenten, zonder aanleiding, beslist alle tijd in te halen, en aan de snelheid van een elektronenstroom begint te razen, schreeuwen, tijgen, tot mijn vlees voelt alsof het hysterisch ademt, alsof elke spier hyperventileert, en met elke keer inademen groter wordt, elke keer in, groter, uit, kleiner, in, nog groter, tot ik uit mijn voegen barsten moeten zou, maar dat gebeurt niet, mijn vel houdt stand, zo hard klopt mijn hart dan, en de dennenappels in mijn voeten, de silexen in mijn maag, de spinnenwebben in mijn oor en de eeuwige, eeuwige, eeuwige sneeuwkap over mijn buik, de slang in mijn blaas, mijn rinkelende tanden - dat alles zou ik niet voelen als ik gered zou zijn, en dat alles zou niet bestaan, en dat alles zou nooit bestaan hebben als ik ooit gered word, dan zouden alle sporen van mijn ongeredde leven retroactief uit de tijdlijn worden getrokken, en misschien zou ik zelf ook niet bestaan, want als niks anders wou ik dat ik niet bestond, want hoe graag zou ik zien dat mijn bestaan als een boomwortel uit de grond van de wereld wordt getrokken, in brand wordt gestoken, voor eeuwig sterft.
De barman brengt me mijn bier en ik voel de rustgevende natte glazen in mijn handen en zo stap ik terug naar ons tafeltje, waar R nu op het puntje van zijn stoel zit en een verhaal vertelt dat ik niet ken maar ook niet hoef te kennen, zo heeft R er vele. L knipoogt naar me, licht en hard. Ik verdeel de pinten en probeer me in het gesprek te mengen, maar ze lijken te ver weg, te ver in het verhaal, te ver, ver, ver, en zo ook L, die de vochtkring die een vers glas achterlaat wanneer het wordt opgeheven traag uitspreidt over het linoleum van het tafelblad en in gedachten verzonken lijkt waar ik jaloers op ben, dat die gedachten door haar gedacht mogen worden.
Ik kijk naar hen en bedenk me dat het zo, zo, zo moeilijk is met hen allen te praten, zo, zo, zo veel energie kan kosten met hen allen te blijven praten, hoewel ze fijn zijn, dat zeker, fijne personen, stuk voor stuk, met hun halfopen hemden en bulderende lachen en schuimvlokken op de lippen, R met zijn flagellante humor, P met zijn halfopen verdord bruine ogen, J met haar snerpend intelligente opmerkingen die, als waren het pijltjes uit een blaaspijp, witheet en ongezien je nek kunnen doorboren, en zoals de ogen van P zo veel spreken, zo, zo, zo veel spreken, terwijl P zelf niet veel zegt, en hoe R elke tafel weet te dragen als was hij Atlas, wanneer een last gedragen moet worden, wanneer een avond moet worden onderhouden, is het R en enkel R die dat doen kan, zonder wrok of schuld, zonder schaamte of arrogantie, en ik heb ze allemaal zo, zo, zo graag, maar het is zo, zo, zo moeilijk om met ze te praten, want ik weet niet welke regels de mens volgt, ik weet het nog steeds niet, al sta ik zelf al bijna achtentwintig jaar in deze wereld, die draait en zingt en barst en built, nog weet ik niet welke regels worden gevolgd, en dat maakt me zo, zo, zo triest. Ik kijk naar P en zie in zijn ogen dat ik achterhink op de conversatie, dat ik het tamme broertje ben, en dat ben ik altijd al geweest, en ik kijk naar Rs mond en zie in de sluwe en gladde bochten van zijn lippen mijn eigen traagheid, mijn eigen last, zie hoe ik nooit meer zal kunnen zijn dan een te logge, te grote boot in een smal kanaal, en ik weet niet hoe ze het doen, en ik weet al evenmin waarom ze het doen, want ik snap de wereld niet, niet, niet. Ik zwijg en kijk even op naar L en zie dat L mijn blik opvangt en we hebben oogcontact, en maag dreunt, dreunt, dreunt, en ze vraagt of alles gaat en ik krijg een krop in de keel en zeg dat ik het niet kan, nooit heb gekund en nooit kunnen zal, en ook P en R zwijgen en J die al zweeg draait haar hoofd naar mij om en ik kan niet anders dan een slok nemen van mijn bier en zwemmend in vaalblauwe schaamte bidden, bidden, bidden dat dit allemaal niet bestond, dat ik niet besta, en…
… en het menselijk lichaam is een afgestelde machine, op scherp gezet door de natuur, en elke ader is een stoompijp, elk orgaan een batterij, het hart de pompende centrale, en alles werkt samen in een harmonie die, als ik het meisje dat ik gisteren op de trein zag met een bijbel in de schoot, god niet meer heeft tentoongesteld sinds zijn creatie van de tuin van eden, hoe geolied alles werkt, hoe het ene weet wat het andere nodig heeft en die nood vervult en omdat het ene dat zo onzelfzuchtig doet worden zijn noden uiteraard ook vervuld, dat is hoe het lijf werkt, en als al die tandwielen en organen samenwerken leeft het lijf, leeft de mens, en al onze tandwielen en organen en bloed en stoom werken samen om de monsterlijk ingewikkelde bedrading van de hersenen, het hoofd te laten draaien - waar een beweging begint in de darmen, opstijgt, groeit, borrelt langst de maag, wordt vermalen en met water aangedikt tot zoetbruine stroop, wordt opgewarmd in de oven van onze ribbenkast, waar onze longen twee blaasbalgen zijn en vuur, vuur, vuur, en als vloeibare suikerstroop, roodheet en met moeite kneedbaar door onze slokdarm en luchtpijp naar boven wordt gejaagd waar het achterin onze mond de vorm krijgt van vijf proefbare letters die een mens een mens maken, die verbinding tot een ander mogelijk maken en zoals Nabokov zo lieflijk schrijft over de perverse sensualiteit van het uitspreken van de naam Lolita, eerst het palatum, dan het prepalatum, dan de alveolenrand tikkend met de tong, zo ook dit woord dat ons lijf wist op te stellen en met behulp van de baas in het brein nu achterin de mond ligt en de stembanden aait tot wij het als zoekers, als ridders op queeste, als de vieze Humbert van achter in onze mond aanblazen met hoop, laten stokken bij de alveolenrand en door de bijna anale ronding van onze lippen jagen en zeggen: “Hallo” - als er ooit een ontstaan is geweest van de mensheid zoals het meisje met de bril op de trein placht te denken, niet geleidelijk, maar plots, als verschenen uit het niet, dan was dit woord, agressief in zijn klinkers (a! o!) en sussend in de dikte van de l en de aanblazing van de h, als een ouder die het roer kwijt is en met liefdestranen in de ogen zijn kind slaat, zo vallen wij elkaar scherp aan met een waas van ontroering onder de tong om elkaar te vragen, erken mij, opdat ik u erken, laat ons verbinden, al is het maar zo kort als dit ene woord, hallo, hallo, hallo, en…

…en ik wil geholpen worden - hoe die zin zich kan herhalen in mijn binnenoor, gefluisterd, gespogen, gedrupt, met modderbruin vet verlangen dat nergens naar gericht is, verlangen dat enkel verlangen is zonder doel, het verlangen dat een mens kapot maken kan, en die vette keelzware varkensstem herhaalt in mijn binnenoor steeds diezelfde zin met dat okergele verlangen, en als mijn oren neuzen hadden roken ze de doodsstank van schimmelgroen ontbindend fruit, en ik wil geholpen worden, ik wil geholpen worden, ik wil geholpen worden. Zo kan ik het, bedenk ik me terwijl ik door de Lange Leemstraat slenter, zo oneerlijk vinden dat mijn ledematen niet gebroken, mijn schedel niet verkalkt, mijn tanden niet uitgevallen, mijn ogen niet leeggelopen, mijn longen niet verkankerd, mijn nieren niet vol spelden en mijn maag niet vol magneten, mijn slokdarm niet in de knoop, mijn appendix niet gebarsten zijn zodat ik met mijn verziekte en half overeind staande lijf de Sint-Vincentiusstraat kon inslaan en strompelen, kruipen, rollen naar de heerlijk doorzichtige glazen schuifdeuren van het Sint-Vincentiusziekenhuis om daar in de gang te staan en te bloeden op de heerlijk egale gladwitte tegels en te schreeuwen, help mij! Ik moet geholpen worden! Ik moet geholpen worden! En dan zou ik maandenlang in een bed liggen in de gelukzalige wetenschap dat alle pijnen die mijn lichaam doorstaat, mijn lever en slokdarm en tenen en nieren, dat dat alles er heeft toe geleid dat ik nu hier liggen kan, dat men mij hélpt hier in het Sint-Vincentiusziekenhuis met zijn misplaatste kerkelijke uiterlijk, want als er iets is waar geen god iets mee te maken heeft is het wel genezing en hulp, als er iets bestaat als een god die deze wereld heeft gemaakt waarop ik nu voet na voet zet en zonder nadenken de Sint-Vincentiusstraat passeer en mijn handen in mijn zakken duw omdat mijn vingers het koud, koud, koud krijgen van de smerige lucht, de smerige ivoorwitte lucht of dikdonkere lucht of hels helderblauw lucht die ons steeds omringt - hoe vreselijk eigenlijk, hoe wij steeds aangeraakt worden door lucht, van alle dingen, nikszeggende haast onbestaande lucht, maar niet door elkaar - als er iets als een god bestaat die dat allemaal heeft gemaakt en er voor heeft gezorgd dat ik hier wandelen kan, dat in het Sint-Vincentiusziekenhuis mensen liggen kunnen, dat wezens bestaan die enkel bestaan omdat ze op een dag zullen moeten ophouden met bestaan, dat jonge katten omvergereden en jonge liefdes genegeerd kunnen worden, dat wij bestaan, wij wiens lange armen kunnen aanvoelen als geweren om op een ander te rechten, sterker nog, wij die om de zoveel tijd, als zit het idee achterin onze schedel, bibberend en haarloos en lijkbleek, als leeft het daar en fluistert het ons dingen in die als likkend rode vlammen ons brein oververhitten, lijken te mòeten toegeven aan geweld tegenover de ander met onze revolverarmen, onze renbenen, ons beukschouders, wij die bestaan uit geweld - als wij gemaakt zijn in het beeld van een god dan kan die god niks te maken hebben met het afwikkelen van verband, het vasthouden van handen en het afdeppen van het koortsige voorhoofd, en de enige reden dat wij dat wel doen lijkt vaak te zijn dat, zo denk ik terwijl ik het rokerskot bij het Sint-Vincentiusziekenhuis passeer en met opzet diep, diep, diep inadem, dat we met alle macht hopen dat als wij dan ooit geraakt worden door die hand van een ander, degene die wij genezen hebben ons dan ook zal genezen. En ik kijk nog een keer naar het ziekenhuis en bedenk me dat zijn christelijke façade in werkelijkheid een uitgestoken middelvinger is naar eender welke god die zou neerkijken op ons en om solidair te zijn steek ik twee middelvingers uit, mijn handen nog in mijn zakken gedrukt, mijn vingernagels schrapend langs de bodem van mijn stoffige jaszakken, en…

…en ik besta niet en ik weet niet dat ik besta als ik mijzelf niet weerspiegeld zie in de blik van een ander en ik weet niet dat ik spreek als ik mijn taal niet herhaald hoor in de woorden van een ander, ik weet niet dat ik een lichaam heb als ik niet word aangeraakt door een ander; ik weet niet dat ik rook als ik de opgetrokken neus van de ander niet zie, ik kan mezelf niet liefhebben als er niet een ander is die mij liefheeft, ik weet niet of ik wel iets doe als er geen reactie komt van een ander op hetgeen ik deed, ik weet niets wat een ander niet weet en moet weten dat een ander dat ook weet om zeker te weten dat ik het weet, ik denk omdat ik weet dat een ander weet dat ik denk en ik denk wat ik denk omdat ik weet dat een ander weet dat ik dat denk, ik hef mijn hand op omdat een ander ziet dat ik mijn hand ophef, ik zing een lied omdat een ander hoort dat ik geluid maak, ik kijk omdat een ander zich bekeken voelt door mij, ik schrijf omdat een ander leest wat ik schrijf en ik heb lief omdat een ander weet dat ik liefhebben kan, ik fiets omdat een ander weet dat ik fietsen kan, ik breek vriendschappen omdat een ander weet dat ik geen berichten meer stuur, ik ben verliefd omdat een ander ziet dat ik rood word, ik haat omdat een ander mij niet aankijken kan, ik ben bang omdat een ander zich groot opstelt, ik huil omdat een ander mijn tranen bekijkt, ik sta geil omdat een ander een lichaam heeft dat ik begeer, ik ben depressief omdat een ander zoveel macht over me heeft, ik heb lief omdat een ander wat deed dat me lief deed hebben en ik luister omdat een ander praat, ik kijk omdat een ander er is, ik twijfel omdat een ander tegen me inging, ik haat omdat een ander bestaat, ik leef omdat een ander leeft, ik lees omdat een ander schreef en ik eet omdat een ander voedsel kweekt.
Ik besta als een blok klei, geboetseerd door de vingers van een ander die naar me kijkt, me hoort of niet, me bedankt of niet. Ik besta niet. Ik besta niet. Ik besta niet.

Schrijf ons.
Met Mens me. willen we je graag uitnodigen om ook jou bedenkingen, inzichten, verhalen met ons te delen.


