
Kat Van Engeland
Kat, ooit 'Katrien' genoemd door haar ouders, is kunstenaar, psycholoog en bewonderaar van het leven (met zijn barre, beeldschone bergtoppen en zijn zachte, donkere dalen).
Kat houdt van bijnamen en de dingen benoemen. Vragen stellen en heel rustig aan de dingen doorgronden.
Haar visie en schrijfsels stammen uit een vergroeiing van wetenschappelijke kennis, speelsheid en spiritualiteit.
Er is nog zo veel te leven, en daar heeft ze zin in.
Gebouwd om te verbinden
en waarom dat hoopvol is.
Hallo Mens!
Ik hoor de kluizenaar,
ik hoor zijn vlucht van exact dátgene waarnaar hij verlangt en ik begrijp hem,
ik ben hem.
Want ik ben mens en mens zijn is best wel ingewikkeld.
Het is alsof we samen aan tafel zitten, hij en ik. Ik weet dat dat fysiek gezien onwaarheid is, maar ach waarom laten begrenzen door de fysicaliteit. Dit is wat ik zie:
we zitten samen aan de tafel van het menszijn. Een ronde tafel, beeld ik me in. We zijn niet alleen. Iemand ligt op tafel, iemand danst erop, een ander drinkt thee en nog iemand zit braaf met de benen onder tafel, de vier poten van hun stoel netjes op de grond. Ik weet niet wie ik ben en wie de kluizenaar, ik weet niet wie op tafel danst, wie thee drinkt, in dat plaatje, maar we zitten er en ik hoor de kluizenaars woorden en dat zet dit vervolg in beweging:
Als er een scheppend wezen bestaat, bijvoorbeeld een god (of meerdere of een halve), dan had die, denk ik, hoop. Dan heeft die ons vol hoop gemaakt. Onze lichamen en breinen geboetseerd tot systemen die draaien op hoop, weergaloos hopen op beter, altijd opnieuw, wat ons ook neerhaalt. En als er nu geen hoop is, dan zal die wel komen en als de hoop op is, wordt die wel weer bijgevuld.
Zo zijn wij gemaakt, hoop ik.
Er zijn stromingen, waarvan ik een van de niet-al-te-slaafse-maar-zeker-enthousiaste volgelingen ben, die zeggen dat de mens een ingebouwd verbindingssysteem heeft. Biologisch gebouwd om te verbinden. Ik ga eerlijk toegeven dat ik nogal vatbaar ben voor hoop, maar als dát niet hoopvol is... Zonder de hele uitleg of redenering erachter; een biologisch ingebouwd systeem om met anderen te verbinden; ik vind dat ongelooflijk hoopvol.
Bon, je kan dat fenomeen ‘gehechtheid’ noemen of ‘hechting’ in de volksmond. Niet te verwarren met de hechting van een wonde met naald en draadjes enzo. Nee, emotionele hechting, misschien hoorde je er al over.
Misschien zocht je er al over op omdat je je de laatste tijd niet zo goed voelt in je relaties en het internet of de zelfhulpgoeroe zei dat dat vast en zeker te maken had met jouw ‘onveilige hechting’. Laat mij absoluut niet degene zijn die zegt dat dat onzin is, maar, als je wil, laat mij wel degene zijn die het nuanceert of in hoopvoller licht zet.
‘Gehechtheid’, kort uitgelegd, is een verwachtingspatroon dat we hebben over wat anderen kunnen betekenen voor ons in tijden van stress op ons systeem (bv. gevaar, pijn, verdriet). Het kan dan ook een eigen vorm hebben in elke relatie (met je moeder, je buurman, je collega, je hond).
Tot daar zijn jullie mee. Volg me nog even: die verwachtingen bewegen ons. Ze maken dat we uitreiken als het nodig is (bij stress op ons systeem dus), of ons net terugtrekken, of een combinatie die voor zowel onszelf als de omgeving verwarrend is. Dat hangt allemaal af van wat we verwachten, zie je? Ik neem het voorbeeld van een hond (hier; gezelschapsdier). Als ik verwacht (of; geleerd heb) dat, wanneer ik verdrietig ben, mijn hond bij mij komt liggen en zich gewillig laat knuffelen, waardoor ik mij alweer wat minder in zak en as voel, dan zal ik bijna automatisch met mijn verdriet naar mijn hond toetrekken. Als ik verwacht dat hij onrustig wordt en onstilbaar begint te blaffen als hij mijn verdriet voelt, dan zal ik dat zo goed mogelijk verbergen, omdat de uitkomst van verbergen mij dan het meest helpt.
Dat ‘uitreiken’ of veilige gehechtheid (zie eerste situatie met de hond), kan volgens sommigen een echte superkracht zijn. Denk aan het kind met de, op knie gelokaliseerde, schaafwond. Het is geen gebroken been, maar het pikt, is onaangenaam. Het kind loopt theatraal dramatisch huilend naar zijn ouder, krijgt een kusje op de schaafwond, dermatologisch gezien uiteraard weinig evidentie voor wondheling, maar psychologisch gezien een echt wondermiddel; het kind speelt zonder probleem weer verder. Dat is uitreiken; pijn voelen en naar je ouder lopen omdat je verwacht dat er een kus komt en dat de pijn dan minder wordt.
Zelfs bij emotionele pijn kan iemand die naar je verhaal luistert en je een stevige knuffel geeft, maken dat je de pijn minder voelt, al blijft de oorzaak van de pijn onveranderd. Alleen knelt hier het schoentje; om van dat wondermiddel gebruik te kunnen maken, moet je natuurlijk durven je verhaal te doen, durven om die knuffel vragen, durven diep dramatisch met je schaafwond naar je medemens lopen en dat is niet voor iedereen even gemakkelijk.
Nuanceren ging ik doen en vertellen waarom dat hoopvol is. Als je hebt geleerd dat je niet bij anderen terecht kan met je pijn (ook wel ‘onveilig gehecht’), betekent dat niet dat je verloren bent voor de moeite. Nee, want een mens wil, in het diepste van zijn zijn eigenlijk bijna zonder uitzondering (ik spreek niet graag in absoluten, maar deze moet ik gelijk geven) aanvaard worden, er mogen zijn zoals hij is en voelen dat hij geliefd is. Dus blijft hij zoeken, blijft hij hopen, blijft hij uitreiken en aannemen op een of andere manier.
Hechting is een leerproces en wij mensen blijven leren, blijven zoeken, blijven oefenen. Wij blijven hopen op iemand die onze pijn kan luwen met een doordeweekse knuffel.
Wij zijn biologisch gebouwd om te verbinden, zolang we leven ademen.
Hier zou een punt kunnen zijn om af te ronden; mensen zijn gemaakt om te blijven verbinden en dat is hoopvol; luid en duidelijk. Maar er is meer, natuurlijk is er meer, er is altijd zo veel meer. En dat is vermoeiend. Er zal altijd meer zijn dan we in woorden kunnen vatten, en laten we eerlijk zijn; zelfs dan we in beelden kunnen vatten. Dat maakt het complex en wij, als emotioneel complexe wezentjes maken het vaak nóg complexer dan dat. Begrijp me niet verkeerd, we zijn er vurig van overtuigd dat het complexer ís dan dat, dat we het nog complexer moeten maken.
Er is immers geen tijd om te verbinden, er is geen tijd om ons verhaal te doen, wie heeft er tijd om naar anderen te luisteren, als het niet betaald wordt (schreef de psycholoog)? Dat vragen we ons af, als we eerlijk zijn, toch? Heeft ons perfectionisme, onze complex-isering, zich zelfs uitgezaaid naar zoiets eenvoudigs en zuiver als verbinding? Een verbinding moet efficiënt zijn, moet opbrengen, moet de sociale behoefte bedienen binnen geringe tijd. Het moet passen binnen de muren van ons goed geïsoleerde huis. We zijn aanbeland in een tijd van consumptie en economisering van de verbinding. Divide et impera doet de economie; als er minder verbinding is, dan heb je meer nodig van al de rest en dat brengt geld op.
Toch, ondanks dat alles, blijven we zoeken naar de eenvoud van het verbinden. De aard van het beestje. Ik wil niet beweren dat ik een antwoord heb op wereldproblemen, ik wil liever dromen van wat ik denk dat perspectief kan geven. Bij deze:
Wat als de eenvoud ons kan redden? Niet meer complexiteit, meer systemen of planningen of to-do lists. Eenvoud lijdt tot eenvoud.
Want, correct, we laten ons vangen, maar nooit helemaal. Hoe complex je het ook maakt, hoe’n druk leven je ook leidt, hoe erg je ook je best doet te vergeten dat het simpel kan zijn, de simplesse blijft bescheiden meevolgen, tot het zo oerduidelijk is dat je er niet naast kan kijken: Hoe tranen ontspringen als iemand je vraagt hoe het gaat en waarlijk op een antwoord wacht, of nog simpeler; een peuter zwaait, onvermijdelijk naar jou gericht; mollig klein handje, onverdoezeld geluk.
Ik weet niet hoe dat voor jullie is, maar voor mij blijft het complexer dan ik zou willen om dat simpele te omarmen. Want voor die eenvoudige verbinding moeten we vertragen. En om te vertragen moeten we eerst beseffen hoe waardevol verbinding is. Dat het onze essentie is. Maar het geluk dat trage, eenvoudige verbinding doet ontstaan, brengt dan weer geen geld op en dan heb je waarschijnlijk ergens allemaal rijke mensen die niet meer in hun geld kunnen verzuipen en dan krijgen die een ‘temper tantrum’ (zoals een kleuter dat doet, zeker en vast) en dan is dat weer vervelend en misschien zijn we zelf wel van die mensen, dus ja (oeps, misschien laat ik mij even gaan in de simplesse van mijn frustratie; ik ben alsnog hoofdzakelijk hoopvol, maar een mens is altijd ambigue; emotioneel complex).
Genoeg uitgelegd; eenvoudig en complex, eenzijdig en ambigu. Er rest mij nog één (cluster)vraag (en erna nog een kleine post scriptum), denk ik;
Welk geheim heeft de mens die op straat om een knuffel durft vragen aan een wildvreemde? Welk geheim de wildvreemde die hem dat geeft? En waar vindt de rest van ons de durf om hetzelfde te doen?
P.S. De oplettende, hooggeschoolde lezer zal hebben opgemerkt dat ik geen bronvermelding geef. Dat klopt en is een daad van verzet, voor alle papers waarin ik doodverwees, uren zocht en zwoegde en nooit een stukje van mezelf kon leggen.
Edoch… Hoezeer ik er ook een hekel aan heb; ik begrijp meer en meer de waarden. Heeft wat ik schreef je nieuwsgierigheid aangewakkerd of wil je kijken wat er waar is van al dit gezeik, ga dan zeker eens snuisteren in de literatuur van Sue Johnson, die schrijft over EFT of in de literatuur van o.a. Guy Bosmans over gehechtheid en ABFT. De bronnen van het tweede deel van de tekst zijn vooral mijn gedachten. Bij deze…

Wat voelen vraagt
En hoe de tocht schoon maar uitdagend is.
Hallo lieve Mens
Hoe voel je dat? Hoe voel je wat je te doen hebt?
Hoe vóel je in een wereld waar ratio alleenheerser is en gevoel iets onbekend, vaak
ongewild? Iets wat we ver weg steken omdat het prikt en kabbelt en kraait en krioelt en
omdat er zo veel anders te doen is dan voelen.
Als ik aan mensen de immer gevreesde/gestigmatiseerde vraag stel ‘wat voel je daarbij?’,
start het antwoord meestal met ‘ik denk’. Als psycholoog is dat best vervelend, want we
beweren toch altijd met gevoelens te willen werken. In de realiteit is veel gesprekstherapie
echter vooral het inzicht verwerven rond ‘cognities’ (of gedachten/ideeën/manieren van
denken). Dat is absoluut waardevol, al merk je, in het werkveld of als je er wel eens bij
stilstaat, dat dat meestal niet voldoende is of zelfs helemaal niet wat mensen nodig hebben.
Zo zie ik in mijn praktijkruimte bijvoorbeeld een terugkerend ‘profiel’; vaak intelligente
vrouwen, die zo ongeveer elke mogelijke theorie over waarom ze het moeilijk hebben, al
bedachten en verwoordden en als het even kan al neerschreven in een dagboek. Deze
vrouwen weten, maar ze voelen niet. Hun denken heeft hen ver gebracht, maar nu stranden
ze op een heel hopeloze plek; ‘ik weet het al, maar ik kan er niets mee.’ Er is geen brug.
Niets dat die inzichten (hoofd) verbindt met het kunnen beleven (lichaam). Oké, denkt de
hedendaagse psycholoog, coach, capabele en sensitieve vriend(in); het missende
puzzelstuk hier is duidelijk
voelen.
Maar wat is voelen?
‘Gewoon voelen’, dat is zowat de nachtmerrieraad van elke piekeraar (term voor ‘in cirkeltjes
denker’), misschien wel van ons allemaal. Alsof voelen zo gewoon is. Generaties lang wordt
verwoed geoefend om níet te voelen, om door te gaan, om dicht te metselen. Als er iets
bestaat als ‘intuïtie’ dan is die van mij burned-out*, omdat hij nooit gehoord werd, nooit
gewaardeerd voor zijn werk (*niet de officiële criteria voor een diagnose van burn-out). Dus
wat is voelen? En kan iemand mij dat leren? Laten we duidelijk wezen, ik leerde denken op
de universiteit, maar voelen was geen vak. Het dichtst bij de materie kwam één prof op die
vijf jaar, die zei dat je in je praktijk soms op je buikgevoel zal moeten vertrouwen. Ik dacht
toen aan honger, maar dat bedoelde hij vast niet. Ik leerde reflecteren, taal van anderen
interpreteren, sensitief zijn voor signalen van de cliënt. Maar zelf voelen? Nee hoor. Dat is te
vluchtig, niet tastbaar, daar kun je geen punten op zetten.
En toch besloot ik dat ik het wou kunnen; voelen.
Ik wou op zoek gaan naar een diep voelen, dat misschien zelfs ‘weten’ kan genoemd
worden, maar dan niet hoofdelijk. Op zoek naar mijn intuïtie, als dat bestond. Dus op een
dag begon ik te voelen, of dat probeerde ik althans. Ik had een aantal supporters om me
heen, maar voelen is echt zo’n sport die je zelf moet uitproberen, niemand anders kan je
uitleggen hoe dat eruit ziet bij jou. Om te beginnen ziet het er ook helemaal niet uit, in de
letterlijke zin; voelen dat zie je niet… dat voel je. Dus voor mij was dat de start: ik begon
sensaties in mezelf op te merken, gaf er gehoor aan en volgde meer impulsen, die ik anders
meteen gekortwiekt zou hebben. Dat werkte, ik begon meer van mezelf te horen, meer op te
merken, kon al eens zeggen wat ik wou of waar ik (geen) zin in had.
En dat bracht me bij de volgende vraag; hoe weet ik wanneer ik naar een gevoel moet
handelen en wanneer het gewoon een oppervlakkige impuls is, waar ik beter niet naar
handel? Concreet: ga ik nu iets te eten nemen omdat ik echt honger heb, of heb ik gewoon
zin in suiker en verveel ik me? Iets ingewikkelder concreet: ik heb geen zin om naar een
afspraakje te gaan. Is dat omdat ik nu eigenlijk meer nood heb aan rust/de mensen mij niet
zo liggen/… of is het omdat ik mezelf wat te veel verwachtingen opleg en daardoor de stress
wil vermijden van een hypothetische nederlaag. In het eerste geval, lijkt het waardevol het
afspraakje zo te laten. In het tweede geval zou het je dichter bij jezelf brengen om door het
angstige gevoel heen wél naar het afspraakje te gaan en kan je zo groeien.
Bij die vraag bleef ik wat hangen. Wat is écht gevoel?
Ik luisterde nu naar mezelf, ervan bewust dat ik vaak gewoon naar impulsen luisterde, niet
zozeer naar een of andere ‘diepe wijsheid’ in mezelf. Maar het was beter dan niets. Tot,
onlangs, ik van een opleider voor het eerst dit hoorde: ‘we zijn altijd maar bezig over voelen,
maar verwarren emoties met gevoel’.
Dat was het. Dat was wat ik had gemerkt. In het zoeken naar gevoel, kwam ik eerst bij
emoties uit. Emoties als reacties van je lichaam op het feit dat je homeostase (een staat van
evenwicht in ons lijf) verstoord is en hersteld moet, maar ook dat er iets niet juist voelt.
Emoties zetten ons aan tot actie (al is die actie soms heel passief niets doen). Emoties zijn
luid, want ze willen ons in beweging brengen om nú iets te veranderen, maar lijken niet altijd
intelligent op de lange termijn. Onder emoties, stiller en standvastiger, zit volgens mij ons
gevoel. Dicht bij de kern van wat wij kunnen betekenen in de wereld, een boodschapper van
onze waarden. Opnieuw: dit is niet iets wat ik leerde in de universiteit of waar ik bronnen
voor heb; het is simpelweg hoe ik het denk aan te voelen. Ik hoop en denk, als we dicht bij
ons gevoel zitten, we onze emoties ook beter kunnen ontrafelen.
Hier is dan het punt waarop ik mezelf moet toegeven dat ik geen, alleszins vandaag nog niet,
zelfhulpboek kan schrijven genaamd ‘Écht leren voelen en hoe al je problemen daardoor als
sneeuw voor de zon zullen smelten’. Alleen al om het feit dat de titel veel te lang is en niet
aan zou spreken, maar meer nog omdat ik voor mezelf slechts in de fase zit waarin ik min-of-
meer een narratief heb over ‘voelen’ dat strookt voor mij. De dagen waarop ik écht niet wil
gaan naar dat ene afspraakje, begrijp ik er geen knijt meer van en wil ik niets meer, alleen
nog een stuk taart. Op andere dagen lijk ik wel enkel en alleen een hoofd.
Zo ver zijn we dus.
Voorlopig.
Maar dat is al veel verder
dan ik ooit
was.
Waar zit jij met je gevoel?
Veel succes.
Laten we
samen leren
van ‘t leven.

Het hoe doet ertoe.
Het wat niet zo zeer.
Hallo lieve Mens
Als kind wou ik ballerina worden.
Ik danste graag. Ik kon het goed, kreeg complimentjes van de balletjuf; ik bewoog mijn
handen heel sierlijk. Duidelijk was dat in mijn hoofd; ik moest ballerina worden.
Mijn omgeving was de balletwereld eerder vreemd; ‘je zal vrees ik nooit goed genoeg
worden, en áls je goed genoeg bent, armzalig leven’. Degenen die de wereld wel kenden,
gaven ook hun wijze raad; ‘je hebt er de bouw niet voor, kind. Een ballerina is mooi van ver,
maar verre van mooi’ (verwijzend naar de, misschien al verouderde, verwachtingen dat een
ballerina niets mag wegen, ten opzicht van mijn mollige beentjes, brede heupen en
schouders).
Ach ik wou ook niet écht ballerina worden, weet ik nu. Ik verloor mezelf gewoon graag in mijn
lijf en de muziek. En daarnaast deed het mijn tere zieltje kortstondig deugd om
becomplimenteerd te worden. Voor heel even dat niet te ontkennen gevoel van ‘jij hebt
zijnsrecht’. En dus ik ging geloven; als je ballerina bent, dan is dat zijnsrecht voor altijd; dan
ben je er, dan heb je ’t gemaakt.
Niemand geloofde dat ik ballerina kon worden en dus leek het of niemand geloofde dat ik
permanent zijnsrecht verdiende. Als misnoegde, niet begrepen 11-jarige kunstenaar, schreef
ik in mijn beste Engels een quote op: ‘It doesn’t matter how you get there, it’s where you get’.
De 14 jaar die daarop volgden, leerde ik en blijf ik exact het omgekeerde leren.
‘Where you get’ (wat, waar) heeft eigenlijk weinig betekenis, als je daar niet kan zijn, als je
nooit leerde ‘how’ (hoe). Want je bent zo veel langer onderweg (hoe), dan dat je ooit op één
plaats (je doel) (wat, waar) zal zijn; niets is statisch, dus ook niet waar je heen gaat.
Ik ben er nooit geraakt, bij het professioneel ballerinaschap, maar als ik elke danspas
onderweg bewust had genomen, had ik de voorbije jaren zoveel genoten, dat ik vergat waar
ik heen wou en gewoon ging waar ik moest zijn. Ik denk dus niet dat het over wat of waar
gaat, maar over hoe. Keer op keer: hoe.
Dat gaat net zo tussen mensen. Niet wát, maar hoe. Het is niet wat je zegt of doet, al zou dat
toch zo heerlijk ongecompliceerd zijn. Het is hoe je dat zegt of doet. En eigenlijk is het nog
een schepje meer dan dat: het is niet wat je doet, het is hoe je het doet én hoe ík dat dan
ontvang. Dat is het.
Het enige, kleine, pietepeuterige, toch ietwat vervelende zaakje is ons menselijk natuurtalent
om af te wijken van het ‘hoe’ en vollenbak het ‘wat’ op te zoeken. We willen houvast,
tastbaar, we denken dat het eenduidig is. We hopen écht dat als we ons nieuwe, grotere huis
hebben, we niet meer in de weg van onze partner zullen lopen en dus onze relatie weer
verder kan als de roze suikerspin die hij ooit was. En we zijn zo gefrustreerd als dat huis dan
alleen maar tot meer problemen leidt. Omdat we het niet begrijpen. Omdat alles aan de
oppervlakte (wat) juist leek. Het zou ook zo handig zijn he, als de relatietherapeut je een
nieuw huis kon voorschrijven. Of nee, laat die therapeut maar zo (niemand wil toch bij een
therapeut gaan zitten mekkeren), de huisdokter doet het wel (die schrijven alles voor).
Maar daar zitten we dan, in ons groot huis met ons groot hart en onze partner mijlenver weg
en toch op elkaars lip. Of op onze nieuwe job, droomjob (volgens beschrijving) maar eigenlijk
was de vorige niet zoveel slechter (en dichter bij huis). Of daar staan we, onze goede raad te
geven aan onze kinderen en ze worden kwaad verdomme, ze lopen weg en zeggen dat we
hun niet begrijpen.
WAT DOE IK FOUT?
’t Is… ’t is eigenlijk (als ik mag he) HOE doe je fout.
DA’S GRAMMATICAAL INCORRECT.
Ja, helemaal waar, het is uh… dichterlijke vrijheid. Maar de ‘hoe’ is hier belangrijk. ‘Wat’ doe
je niet fout! Je vergeet gewoon ‘hoe’.
IK SNAP ER GEEN KNIJT VAN!
Optie Wat: Optie Hoe:
Ah wat snap je dan niet? Rot he? Ach soms snappen we er
ook geen knijt van; je bent niet
alleen.
In therapie gaan we naar het hoe, in meditatie ga je naar het hoe, voor mij zijn dat heel
helpende dingen. De zaken die je belangrijk vindt (wat), worden er niet minder belangrijk
door, alleen de gedachten erover die in je kop blijven dolen, die je uitputten, die je ver-
slaven; daar ga je minder waarden aan hechten (hoe). Het wordt niet minder haaruittrekkend
vervelend dat je partner zijn eigen remsporen time and time again vergeet uit te wissen,
maar het laat je niet twijfelen aan de relatie als je begrijpt waar het echt om gaat (een eerder
bizar voorbeeld om remsporen aan het emotionele te koppelen, in sessies gebruik ik meestal
het meer aanvaarde afwasmachine voor deze uitleg. Maar de schrijver kan zich verstoppen
achter pen en papier).
Ik ben dus geen (professioneel) ballerina geworden. Maar ik dans wel; ik dans op muziek, op
straat, ik dans met mensen hun emoties, ik dans. En ik denk oprecht dat ik was vergeten wat
dansen was, als ik had vastgehouden aan mijn ballerinadroom. Dat deed ik ook, stiekem,
jammer genoeg. Maar omdat ik er niet geraakte, omdat het leven dat niet wou, leerde ik weer
dansen. En ik dans maar wat verder.
Dans je mee?
Je moet niets worden.
Je bent al.

Waarom we ‘pleasen’.
En dat we niet bang hoeven zijn.
Ik zie mezelf nog zitten.
Net afgestudeerd door jaren lang succesvol kind te blijven, om plots volwassen te moeten
worden en het nooit te hebben geleerd. Op vlucht voor een gebroken hart; de oceaan over
(dat hart volgde natuurlijk). Aan een oude houthakkershut op zo’n verroeste schommelbank,
de rand van een Canadees bos. Heel filmisch, cliché.
Maar er was geen camera. Niemand die het zag, niemand van al mijn vrienden of familie die
een snik kon horen. En dat had ik zelf gedaan, omdat ik niet geloofde dat iemand er nog voor
mij zou willen zijn. Als ik niet kon geven, waarom zou ik dan krijgen? Als ik niet kon pleasen,
had ik niets meer. Dan was de verbinding weg, dacht ik, dus ik besloot hem alvast zelf te
verbreken.
Naast de hoogsensitiviteit en de fomo, bezielt het ‘people pleasen’ dezer dagen een heleboel
mensen in de wandelgangen. Niets mis mee, kan je denken. Het is zo’n eigenschap die je
met de mogelijks nieuwe werkgever deelt als er je een negatieve wordt gevraagd tijdens de
sollicitatie, maar je wil toch op een goed blaadje staan. Het is een hype en ook oeroud. Het is
waarschijnlijk wat die ene hele goede vriend of vriendin heeft waarbij je altijd terecht kan.
De letterlijke woordencombinatie ‘people pleasen’ zou vertaald kunnen worden als ‘mensen
tevreden stellen’, daar valt weinig slechts over te zeggen; handelen in het voordeel van de
sociale groep of metgezel. Aardig zijn en meegaand. Dat is sociaal zijn, deel van onze aard.
We willen goed liggen bij andere mensen omdat dat ooit zorgde voor meer
overlevingskansen. Als we het dus evolutionair bekijken, is het heel logisch dat er veel
people pleasende mensen rondlopen; een geliefde soort (het bevordert waarschijnlijk vlotte
voortplanting). Het vraagt een zeker talent om genoeg inzicht te hebben in anderen en hun
sociale cues om hen tevreden te stellen, er moeite in te willen steken.
Mooie mensen dus!
De term ‘people pleaser’ zoals wij hem gebruiken, gaat een stapje verder. Dat zou ik eerder
verwoorden als ‘altijd mensen willen tevreden stellen, ten kosten van jezelf’. Nog steeds
mooie mensen, maar … bange mensen.
Alle mensen altijd tevreden stellen, is tot op heden immers onontgonnen terrein, ookal
hebben velen zich verloren in de zoektocht daarheen. Omdat wat jij doet in je eigen handen
ligt, maar wat anderen doen, of wel of niet goed vinden, daar heb je maar beperkte controle
over. En dat is waar het minder gezond wordt. Je blijft proberen de wereld rondom op een
punt te krijgen dat het veilig is, dat jij veilig bent (van oordeel, of conflict, of verlating), maar
de angst dat iemand jou kan afschrijven, groeit gestaag en die waterdichte veiligheid blijft
maar weg.
Tot het gebeurt. Die ene persoon valt niet te pleasen. Jij wordt afgeschreven met al je moeite
en alle zelfwaarde die je dacht te hebben. Je krijgt het niet meer uit je hoofd dat die ene
matig-belangrijke-persoon een als-kritisch-te-interpreteren bericht stuurde 5 maanden
geleden (ookal ben je voor 108 anderen een absolute engel). Je voelt je een geslagen hond.
Het is rot.
Het vervelende is, dat het nog altijd veel mensen goed uitkomt als jij een people pleaser
bent, als jij koste wat kost hun onvrede vermijdt. Je leert dus dat er vooral voordelen aan
vasthangen om jezelf keer op keer opzij te zetten, niet te voelen of je zelf noden hebt. En dat
is ook zo; je hebt vaak weinig sociaal conflict, mensen vinden je aangenaam, ‘lief’. Je krijgt
vaak sociale bevestiging. Het is pas later dat de ‘people pleasers’ beseffen dat ze zichzelf zo
aan de kant hebben gezet, dat ze niet meer anders durven. Dat het conflict misschien zelden
tussen hen en de ander plaatsvindt, maar wel binnenin hen raast en ze geen idee hebben
hoe dat er ooit uit geraakt. Het ‘people pleasen’ is dan plots niet meer het simpele ‘iets te
vaak de ander willen tevreden stellen, ook als dat voor mij negatieve gevolgen inhoudt’, maar
een doorwinterde vermijdingsstrategie. Vermijden van de angst om afgewezen te worden, de
reactie van de ander als jij niet volledig meegaat in zijn of haar verhaal. Vermijden van de
angst dat als jij bént en ruimte inneemt en daarvoor staat, anderen je vast niet meer zullen
aanvaarden. Je ‘people pleast’ dan om niet te weten te moeten komen of jij zelf wel
waardevol bent, omdat je stiekem bang bent dat dat niet zo is.
Dus wij, people pleasers, bouwen aan een leven, samengetimmerd uit elementen die
anderen van je verlangen, een leven dat (op eieren) loopt.
Je zou dit kunnen lezen als een manifest voor je eigen noden altijd voorop plaatsen, de
ander niet helpen als het je niet uitkomt of moeite vraagt. Waardoor je wel eens kan denken;
“is het dan kiezen tussen ‘people pleaser’ zijn of egoïst?” Maar nuance betreedt het toneel
(zoals zo vaak in het leven; heel vermoeiend). Dit manifest (is er misschien helemaal geen,
maar) gaat in tegen levensbeslissingen maken op basis van tijdelijke en eerder
oppervlakkige, vaak zelf-geconstateerde verlangens van anderen naar mij toe (bv. mijn
werkgever zegt langs zijn neus weg dat het vervelend is als mensen halftijds werken, want
dan moet hij een extra werknemer zoeken) die in mijn leven grote gevolgen hebben (dus ik
laat mijn droom, om er veel te zijn de eerste levensjaren van mijn kind en dus halftijds te
werken, varen omdat het vervelend is voor mijn werknemer een nieuwe kracht te zoeken. Ik
vraag het niet eens). En een manifest tegen alleen maar durven luisteren, nooit zelf spreken.
Tegen de overtuiging dat jezelf liefdevol benaderen en dat voor anderen doen, niet samen
kan bestaan, dat je moet kiezen.
Tegen jezelf niet naar waarde schatten.
Het is niet evident om je ‘people pleasend’ schild te laten vallen en te durven staan voor wat
je nodig hebt. Omdat we eerst moeten durven onszelf accepteren, het mijnenveld van een
zelf dat we zijn, het mooie en het kwade en het stinkende (want een mens kan stinken). En
de waarheid is dat dat doodeng is, veel enger dan ons uitsloven en onszelf voorbijlopen en
doen alsof wijzelf nooit een miezerig hoopje miserie zijn en willen gehoord worden. Want wie
wil nu met een miezerig hoopje mens optrekken? En als niemand met mij wil optrekken, dan
ben ik alleen. En als ik alleen ben, dan … Dan is er misschien niets meer en dat maakt mij
waanzinnig bang (ergens diep vanbinnen).
Dat gezegd zijnde, ben ik zelf een people pleaser in rehabilitatie, met regelmatig en (als ik
eerlijk ben) voortdurend herval. Iemand die zich vaak beter voelt bij andere people pleasers,
omdat we dan samen conflict kunnen vermijden. Ik wil dus absoluut geen slecht woord
schrijven over de mensen die ervan bezeten zijn of die het toejuichen. Het is het beestje
waar ik samen iets mee wil doen. Het op een gezondere manier terugbrengen in onze
samenleving. Niet alles of niets, maar nuance. Er zijn voor elkaar, maar ook voor onszelf,
hoe eng dat ook is, want zijn we niet allemaal het stukje van hetzelfde geheel?
Dat zal vast ‘mens zijn’ zijn; een klein deeltje van het groot geheel.
Dank om te lezen en succes!

Schrijf ons.
Met Mens me. willen we je graag uitnodigen om ook jou bedenkingen, inzichten, verhalen met ons te delen.

