
Luna Schuddinck
Luna (zij/haar) is schrijver en master in de Vergelijkende moderne letterkunde. Momenteel combineert ze een tweede masteropleiding in de Filosofie met een halftijdse job als leerkracht Nederlands voor anderstalige nieuwkomers. Daarnaast is ze poëzieredacteur bij Deus Ex Machina. In 2024 stelde ze een nummer samen rond het thema ecoGothic, wat eveneens het onderwerp van haar thesis was. Met een achtergrond in theater en slam poetry stond ze al op diverse podia, zoals dat van Gents kunstencentrum VIERNULVIER, Arca Theater en Podium Bloos in Breda. In 2024 ging ze als laureaat van VLOED op schrijfresidentie, waaruit een eerste publicatie voortkwam. In haar werk verkent Luna verschillende media, waarbij tekst steeds de boventoon voert.
Simone's Song
Mezelf gevonden in een afgereden motorspiegeltje op het Muntplein
(kikvorsperspectief): zowel groter als kleiner dan ik eerst dacht. Eerst dacht
ik aan hem en hoe Hij om- en omrolt in de palm van zijn hand. Onder
andere: mensen//veelkleurige vlakken//een oerknal, O Simone! Ik zou je
een make-over willen geven
zoals in high school drama’s (vijfde bedrijf).
Je zei: it is God who in his love withdraws from us so that we can love him,
dus moet Hij worden gelokt, bijeen gespaard; zijn liefde gaat met
voorwaarden gepaard. Een zuiver geweten, ja, en een communiceerbare
ziel, maar het alziend óóg wil ook wat, dus zou je je bril niet beter
inwisselen voor een paar lenzen, Simone?
En Sri Krsna zei tegen Arjuna (beste onder de Bhārata’s): wie de Absolute
Waarheid kent, o sterkgearmde, laat zich niet in met de zintuigen en
zinsbevrediging, laat zich niet
verglijden in het mATeRiëLe MoErAs. Maar Zaligmaker, Waarheidmaker,
waarom heeft u mij dan zo’n HONGER gegeven?
(Dat zei Arjuna vast niet, maar hadden ze in die tijd al gummy worms?)
Sin and error
are the curtain between God and his creation. De zin // God
heeft zich in tweeën gespleten en vervolgens verstopt
om zich door zijn andere helft te laten vinden. Was vergeten dat die van glas
was, het dus niet écht een spel was,
en daarom, Simone, heeft hij opsmuk nodig. Zonde.
Simone, je hongert,
put en kleedt je uit, op je slipje na (een kapotgewassen Zeeman-exemplaar,
lichtgrijs), staat te rillen in het spiegelpaleis
van je eigen lijden, je zei: affliction,
from this point of view, is hideous as life in its nakedness always is, like an
amputated stump, like the swarming of insects. Wij krijgen het koud als we
je zien - waarom heb je je niet beter ingepakt? Zoals God en die schepping
(noem het maskerade) waarin Hij zichzelf na de dienst weer terugvindt.
Gereflecteerd
maar gecamoufleerd, in gewaden van tweeduizend modes geleden. Niemand
die God ooit vraagt of Hij een nieuwe garderobe wil.
En Anne Carson zei tegen de lezer (beste onder de lezers) dat mensen
bidden om God door het universum te voelen bewegen, maar dat lijkt me
zoiets als je meubels tegen het plafond plakken om thuis te kunnen komen.
Ik geloof dat God ergens anders te horen is: door het doucheputje (zoals de
zee in een schelp). De strot van het huis;
komt bij mijn weten alleen voor als verkleinwoord. God is een eenvoudig
Man.
O mijn vleesgeworden void,
te vullen of uit te laten drogen? Kwijt te spelen: het erfelijke deel. Maar hoe
ik de zonde bemin zoals jij de leegte: als franje. Mijn godvormig gat // de
bandbreedte van wat van waarde is // een volmondig zwak
(want daar loopt het hart van over), maar moet je dan gierig zijn met je
godsvrucht
om het wij te doen worden?
Het spel moet worden gespeeld.
Hij vereist een speurzin als goud, is maar lichtend helder
voor de herder die van vachtjes houdt. De naam
is de dood van vibratie, slechts de naald
die de balans aangeeft. Is het dan gratie wat ons brengt bij het gewicht in de
schaal, decreatie wat ons vleugels geeft?
The being of men is situated behind the curtain. Het wezen van God achter
onze dichte oogleden. En toch, die eksterogen
willen blinkende dingen. Verhullen, verschijnen, met wat grime en een
blonde pruik:
the void opvullen. Diamonds are a girl’s best God,
Simone, het lege worden.

Lamentatie 9:21
Vrij naar Inger Christensen
Vel vergaat. Katjes vergaan. Het luttele ervan.
Orkanen vergaan, orkanen en drinkgelach.
In ruis in houtenkop heeft noodlot een gat geslagen,
witheet van klaarte. Golven klapwieken tegen ons in wijl wij
wachten onder de knechtende hemel. Hij deint in schelp
omzwachteld van ons weg, waar krenterig licht, waar verte.
Verte vergaat en de olm, maar slangen blijven
verjongen, gemiddeld zes tot acht tegelijk,
wee mij!
Want de dood is geklommen in onze vensteren,
zij heeft aan onze paleizen, met blote tand.
Wee ons, die hem mankeren.
Bergen,
breng ons een droom van hem die ons verlossen kan,
den hiel van ene witte haan, een veer in de knop.
Och heersers van het Noorden,
winden uit het Oosten, herinner hem.
Graspollen vergaan, de mythe vergaat, het plotselinge
van sneeuw in april, in eindes, het wegdek, en och,
en och, hij is doodgegaan.
Roos van eeuwig leven,
breng ons een interval van gulle slag, tussen voor
en altijd, in blik van stem,
om wie we mankeren, om wie we mankeren. Och leven
lengt zo onbekommerd, mengt ondergrond
weer met contrastkleur. Het gebeurt.
Zoals een woord
waarvan de randen wit wegtrekken.
Trekt ook hij van ons weg en werpt
zich zo halsbrekend op tot naamdag, relikwie.
Namen vergaan, net als erfgenamen. Dichteressen
vergaan en grootvaders,
geweeklaag.

Er was er eens één die
Er was er eens één die geen huid om te raken had gekregen:
Diëne: Moeder, ik ben gekomen om je de schuld te geven.
En een ander, die te nauw had geleefd:
Determina: Ik had je verwacht en ik heb niets te verklaren.
Diëne: Weet je wel dat ik je vriendelijke huis tot stof zal schoppen?
Determina: Ik heb een goede naam die stand zal houden.
Diëne: Ik heb een toorn meegebracht, daar heb ik dauwenlang op liggen broeden.
Determina: Ik heb je alles gegeven wat ik had.
Diëne: Toch ben ik in stukken vaneen. Mijn verwijten zullen als duiven tegen je ruiten spatten.
Determina: Ik heb je vezelrijk te eten gegeven, en nooit geen pluimvee. Flanellen beddengoed van november tot maart, een jaarlijkse tandartscontrole.
Diëne: Ik kan alleen huilen onder water. De badmeester begint zich vragen te stellen.
Determina: Ik heb je visolie gegeven, voor een goede groei.
Diëne: Pas wanneer ik de rug van een hand tegen mijn voorhoofd voel, val ik in slaap. Bij het blanke ontwaken
moet ik mezelf eraan herinneren dat ook die hand bij mij hoort.
Determina: Je hebt een bijzonder lang voorhoofd, ja. En een priemende blik, al van toen je nog een baby was. Daarmee houd je de mensen op afstand.
Diëne: Mijn vrienden vinden me preuts - om dicht bij hen te kunnen komen moet ik mezelf de roes in drinken.
Determina: De drank opent deuren, dat is een feit.
Diëne: Gisteren vroeg de badmeester of ik me weleens alleen voel (…). Het liefst had ik meer zweren gehad, roodgloeiend als pijlen.
Determina: Ik heb zweren gekend, weet je, die van mijn moeder en van mijn moeders moeder. Jij bent het vierde geheugen.
Diëne: Ik ben de soevereine kwinkslag, de breuk met de code.
Determina: Toen Katja stierf ging de televisie nooit meer uit. De ruimte werd zo verzadigd met beeld en geluid dat er voor verdriet geen plaats meer was.
Diëne: Ik was zes toen ik voor het eerst porno zag. Ik herinner me de lul van de buurjongen nog levendig. Daar hadden ze een eigen computer in de kelder. Later zocht ik zelf beelden op, in strips en televisieprogramma’s. Altijd zwangere vrouwen. Met van die groteske buiken – voorwerpen van lust en fascinatie, die me bevreemdden.
Er was er één, die leefde dicht op de deling:
Scissura: Dit voorwerp vereist een zakelijke behandeling.
Determina: Ik leerde onderhandelen om te kunnen leven (zucht). Mijn eigen kindertijd voor de vrijheid.
Scissura: Vroeger sprak men van het vrouwelijk lichaam als portaal tussen werelden, maar het zit anders: die buik, dat is de fabriek. En men is zelf slechts één van de radartjes in die mechaniek.
Diëne: Het moet rond die tijd zijn geweest dat ik de speelgoedthermometer ontdekte. Ik deed het achter de zetel, wanneer de anderen tv keken.
Determina: Sindsdien heb ik nooit meer trampoline kunnen springen zonder te moeten plassen.
Scissura: Op de opleiding werd gezegd dat men bij het opereren op wild vlees niet weekhartig mag zijn. Men leerde het lichaam te monsteren als orgaan.
Determina: Het is nu twintig jaar geleden dat ik tot schoot ben verworden. Wat ik nodig heb is een reisje naar de zon.
Scissura: Zo is het bijvoorbeeld belangrijk om altijd met de bladvezel mee te snijden. Men kan niet beginnen aan het eind.
Diëne: Ik heb altijd gedacht dat mij niets is overkomen. Maar dat is het nu net: er is mij niets overkomen. Ik wou dat je me tenminste had aangeraakt.
Determina: Ik ben er nooit helemaal van hersteld. Ze hebben me opengesneden tot aan mijn anus (snuift).
Scissura: Men leerde ook: een schoot moet schoon zijn en goed meewerken, het tijdsslot respecteren.
Determina: Hoewel ik me had ingelezen. Ik wist dat een scheurtje sneller geneest dan de knip, maar wanneer je daar eenmaal ligt, tja.
Diëne: Waarom heb je me geen strijd gegeven? Slechts dit loze negatief…
Scissura: Met gespreide benen strijdt men niet, dat vergemakkelijkt de boel.
Diëne: Ik heb me zo vuil gevoeld.
Scissura: Nu, het is niet dat men het zelf nooit ongemakkelijk heeft gevonden. De eerste keer trilde de hand toch een beetje. Maar zolang men het hoofd niet ophief,
Determina: De ingreep zelf heb ik amper gevoeld, het pijnlijkste waren de ontwijkende blikken.
Scissura: niet de blik zocht van mevrouw, die angstig was maar alleen omdat mevrouw de procedure niet goed kende, men er een cadans in zocht: het knipt schoner dan het scheurt, het knipt schoner dan het scheurt, het knipt schoner dan het scheurt, het knipt schoner dan het scheurt,
Diëne: Die eerste keer, ik een jaar of vijftien, nam de telefoon op met de linkerhand terwijl de rechterhand de eendenbek nog openhield. Ik voelde me precies dat: een opengesperde, gemuilkorfde.
Determina: Ik was het blinde raam aan het andere eind van de plaats delict. Of nee,
Scissura: dan kon de schaar als vanzelf door het weefsel glijden: huid, vaginawand, bekkenbodemspieren, en oké men voelde het in het eigen lijf, het snijden (zoals men naar een filmscène kan kijken waarin een oog wordt uitgerukt, en men daardoor de eigen oogbal voelt kloppen in de kas), het openrijten, en men keek toch even op maar daar ging de hand opnieuw van trillen, en de Prof. Dr. keek mee, dus dat moest men beter doen,
Determina: nee, ik wás de plaats delict. Niet de zondige vrouw, maar de zonde zelf, die door die vileine tante met de schaar moest worden opengeknipt, om onschadelijk te maken.
Diëne: Daar en toen heb ik die openheid voor altijd afgezworen.
Scissura: een schichtige hand langs de eigen schaamstreek om het daar tot bedaren te brengen, en al over naar de volgende stap want vanaf dat moment zou alles vlot verlopen, zodat men op tijd klaar was, zodat men naar buiten kon,
Determina: Ik ben me vuil blijven voelen. Ik kon niet langer dan een halfuur wandelen zonder dat het daar beneden begon te lopen. En stinken.
Diëne: De lijn waar ik van afstam ligt te strak, druipt nog karmozijnrood van cautionary tales en middeleeuwse idealen – mij zullen ze niet hebben liggen. Me eerst bezwangeren om me daarna neer te steken als de verantwoordelijkheid te zwaar om dragen is, vervolgens de rivier in te gooien en met de noorderzon te verdwijnen, maar niet zonder over die hele historie nog een klaaglijke ballade te schrijven, die door troubadours en ander voetvolk op het dorpsplein wordt gezongen en naar andere dorpen verspreid, om eeuwen later op tape te worden gezet en te worden gecoverd door legendarische rocksterren, mannen natuurlijk, op hun scheurende gitaren, nee,
Determina: De stinkende zonde. Maar ook nog steeds de zaligheid, het portaal naar een andere wereld. De wereld van de ongeborenen, waar de mannetjes die zoet genoeg zijn geweest met gouden lepels…
Diëne: doe mij maar de man, en daarmee bedoel ik niet het mes of het lied, maar gewoon: niét de buik, niét het weggewerkte, de gestorven geliefde die natuurlijk helemaal geen geliefde was maar gewoon een beeld, want welke geliefde ga je nu eerst bezwangeren om daarna neer te steken als de verantwoordelijkheid te zwaar om dragen is, vervolgens de rivier in te gooien en met de noorderzon te verdwijnen, maar niet zonder over die hele
historie nog een klaaglijke ballade te schrijven die –
Determina: Ik ben geen portaal, en al helemaal geen fabriek, ik ben de fucking Styx.
Scissura: naar buiten, wat geen echt buiten was, erbuiten komt men nooit – buiten dat lichaam, dat altijd onder die labolamp, altijd ontbloot, nooit thuis, altijd vreemd, met gespreide benen –, aan de ontdubbeling ontsnapt men nooit.
Determina: Er is geen huid meer om te overbruggen, binnen te treden. In het vernauwde ben ik met raken opgehouden.
Scissura: Niets dan de snede is het huis – altijd met twee, in strijd.
Diëne: Aan de handeling schuin te lezen was ik eerder een jongetje geweest. In de terugblik - een zonneharp, een breder leven.

Miniatuurtjes
een moment. hoe het zich laat melken. tot een zin (hoe het zich laat zien). hoe een moment zich laat melken tot een zin, zich zo laat zien en inmaken. hoe een zin zich vervolgens laat inmaken tot een ritme. hoe een zin zich laat inmaken aaneenhaken met andere zinnen tot een ritme, tot het iets minder tijdelijk wordt. een regenboog in de cloud. een regenboog boven het graf van Steve Jobs. bevreesd en begeesterd hebben elkaars kleren aan. ze zijn slechts van elkaar te onderscheiden door het moedervlekje op de kin (iets wat begeesterd ontbeert en bevreesd begeert). er zit een scheur in het tentzeil van het oliebollenkraam, oftewel: het geweld van het gewone.
we moeten het over de boodschappen hebben. het onsamenhangende: de binnensmondse gezangen. dat alle raken per ongeluk is gegaan. de schoen in de berm, het stukje kobaltblauwe tegel op het grindpad, de geur van mijn hele jeugd (vervat in een bemoste golfplaat onder zomerzon). en de liefdes, de dissonante liefdes, die zijn me het liefst, daar de woorden ervoor vertraagd toestromen. wat heeft het te betekenen? dat de massa’s opkomen, de modder, de stugge modder die zuigt en zuigt, het vingertje: kom hier, dat ik u voed, dat ik u vul – maar wanneer is dit begonnen? het labeur dat ons stom maakt, de vakanties van vaal verlangen naar iets dat ze nooit zullen betekenen (verman u, verwen u!). dus de markten schalen op terwijl de honger, de dulle honger nog steeds het enige is van duur. dat het plafond altijd al van glas was, niet naar buiten breekt maar naar binnen bonkt, verdubbeld, de warmte bewaard. dat god nooit dood is geweest, wat heeft het te betekenen? het spreken alleen uit de biecht.
het is twee januari en zoals verwacht is alles anders. had ik mijn oma de waarheid moeten vertellen (over haar kerstbouche (dat die niet te vreten was, en dat desserten die verwijzen naar vleeswaar sowieso nogal uit de mode zijn (ik vind niet dat mensen zich zomaar alles kunnen permitteren gewoon omdat ze oud zijn)))? gisteren heb je niet gebeld. gisteren fantaseerde ik dat ik trampolinekampioen was en blond en jij op tv naar me zat te kijken. body dismorphia: dat je reflectie in de winkelruit een rijdend voertuig is geworden. mijn goede voornemen voor het nieuwe jaar: aan mijn pensioen denken. haat op zichzelf is niet crimineel, het is pas wanneer je ernaar handelt, jaa dán, maar zelfbeheersing is wat ons scheidt van de dieren dus de kat krabt de krollen. ben jij ook aan het radicaliseren? praat erover! surf naar https://www.eenmiddelvingerinhetverkeer.com en boek een gratis praatsessie. het vuurwerk is dit jaar toch doorgegaan. de tweeling ging door het lint. een varkenskop voor ogen, oftewel: er is een foto gelekt van de burgemeester.
de oude verdelingen zijn kaduuk, bladverliezend. een maantje zo gastvrij dat je erin zou willen gaan liggen. een echt aandoenlijk maantje, zo met dat sterretje ernaast. wikipedia is een uitstekend reisagentschap. wikipedia is net als het universum veelgerokt en ongeverifieerd. aan het einde van elke dag heb ik nog te weinig nagedacht. ik kruip mijn weg naar de top door mijn peers schaamteloos na te apen (wie niet origineel is moet aandachtig zijn). de meditatiecoach die een handeltje in ayurvedische worstvarianten begint. het is zaak niets op elkaar te laten volgen. het is zaak niets te herlezen, niets uit het hoofd te leren, teneinde niet verliefd te worden. ik ben niet voorbestemd om aforismen te schrijven. ik ben voorbestemd om mijn duim in mijn gat te breken en daar vervolgens heel hard om te lachen. de jager vond een konijn. het konijn vond van niet. zoiets, ja. maar weet je, het is onzin, en toch verstrijkt de tijd. tussen de stenen groeit het gras, en tussen de zinnen: de ijver.
‘s avonds kijk ik filmpjes van mijn favoriete poète maudits, de misbegrepenen. de keuze van de zelfmoordwijze reflecteert het type tormentatie, de staat van de huid de pathologie. de enige maat die garantie biedt: de strop is voor zij die gevonden willen worden. we willen allemaal gevonden worden. C. zei dat ik moet oppassen niet te spreken vanuit een wij. ‘wij voelen ons niet vervreemd’, met dat vingertje, ‘wij vinden onze speeltuin nog gewoon in de berm, wel tientallen wilde plantensoorten!’. het verzet werd door het systeem opgeslokt als een goedaardige bacterie: informatie in functie van optimalisatie. de vorm ervan? multimediaal. de vorm van deze zin is vooralsnog behoorlijk horizontaal, verdomme, elke nacht lig ik gespannen te wachten tot je me in je slaap een geheim verklapt. het moeten er veel zijn, want je leeft al langer dan ik. oftewel: ik denk dat ik een hond wil maar daarvoor zijn we te moe. te moe ook om samen op het plein te verschijnen. op paasmaandag stierf de paus. mijn pitje ziet de dagen het liefst korten. dit is alledag, en de afgrondelijkheid van de avond die me al van kindsbeen over de heide jaagt - dan de versuikering van de oversteek: moedig voorwaarts!
wat nog meer wringt: alle tragische levenslopen die ik had kunnen kiezen. een tienerzwangerschap zit er niet meer in, maar ik kan nog steeds junkie worden. of beter: een junkie daten. daarover zou ik dan fatalistische, verscheurende liederen kunnen schrijven, net als mijn helden. mijn lief en ik zijn naar de maatstaven contractueel ongebonden, en dus mag ik in principe elke junkie neuken die ik wil, maar Hij eist het alleenrecht op mijn muze te zijn, wat onder meer inhoudt dat ik geen beeldspraak mag maken van de curiosa van een ander. niet de kleine kraters in de huid (late sporen van tienereczeem), niet de maniertjes van de morgen of het stille kwijnen van de vrees, slechts een vluchtige bezoeker te zijn, even naar de panda’s, het reptielenhuis in, zelfs de eendjes mag ik zien maar onder geen beding eten geven.
mama belt nog voor het ontbijt: ‘s zondags moet ik op kantoor verschijnen. verdachte type III. de stem die door de megafoon weergalmde, hees gebotst op betaalmuren en barricaden, behoort nu aan iemand toe. een burger met een register op een harde schijf, die na te trekken is. subversie wordt week wanneer het hard wordt gemaakt, subversie wordt administratie, ademloos in de muil van onze vader. maar ik heb recht op een advocaat, recht op zwijgen maar niet op regelloos oscilleren in de openbare ruimte. waar ik bang voor ben: brood-en-boterbanen, het vervlakken van emoties (de claxon, de wilde tijger!), het verstommen van de massa’s. we hebben de beweging nodig áls beweging, niet als juridisch formalisme (kijk uit voor het papaverzaad!). ergens op een Brusselse tram klinkt operamuziek.
de ongeboren baby’s die vanuit de toekomst komen aanwaaien, hun lotgevallen bezingen. deze veel te volle stad, een vingerhoed groot. de stad is the state of encounter imposed on people (Althusser). Europa werd door de geschiedenis zelf geprovincialiseerd – het oude ingeslapen moment. hier zijn ze dan: de tere anderen. ze houden me wakker, manen tot stilstand in de branie, de woeker. hangt deze plek aaneen met meer dan uitersten? er leeft een schaduw in links-progressief activisme – een negatief van geschorst geweld. maar niet iedereen kan zich een psycholoog permitteren, en de kunsten beschrijven liefde als een fabriek. of hoe het systeem doet vergeten wat eraan ontsnapt (Lyotard). dus een mainstream is als sinterklaas: wit, mannelijk en van kop tot staart aaneen gelogen.
er passen veel dingen in een dag maar niet de vraag naar de betekenis van je bestaan. al wat ik nodig heb om op te kunnen staan is een deadline (of kinderen, een te halen bus, een in orde te brengen bankafschrift). eindes hebben iets goddelijk, het zijn limietpunten om je twijfels naartoe te slingeren. op maandag is hij met slingeren opgehouden. zij las erover en was van het huilen zowaar haar afspraak bij de gynaecoloog vergeten. het gaat beter als ik eigenlijk ergens anders moet zijn. een niet gehaalde lijn die me in een richting stuwt – ik moet de poppetjes vergeten. de grote holle en de steeds kleinere die daar weer inpassen. op dinsdagavond laat E. me weten dat ik het mis heb met mijn hunkering naar grootsheid. je bent gewoon bang voor de concretie, de klare beschrijving, zegt ze, nippend van haar volle rode wijn. wat jij najaagt zijn de contouren; in plaats van de sterren zoek je de zwarte gaten. maar het is zo lekker in het middelpunt (serveersuggestie: climactisch). die avond had E. had haar satijnen ondergoed aan, een warm en welkom bed.
ik heb een visioen: een lateraal ingrijpen, een gemeenschappelijkheid eerder dan gelijkheid: être singulier pluriel. zoals R. een hekel heeft aan halfnatte theezakjes in de gootsteen, en ik weiger te fietsen wanneer het warm is maar ook regent, hebben we allemaal onze kleine rode lijnen. de politie stond erbij en keek ernaar. ze deden zelfs een toegift: een goeie linkse op zijn nek. de lesbienne de lakmoesproef voor verholen castratie-angst. later wil ik helikopter worden. contentement is niet rendabel voor vernieuwende ideeën. werkelijkheid lijkt me vooral veel werk, moet op handen en knieën ineen worden gezet. de blote, blauwe, geschaafde knieën. op mannen vallen is de default setting (aldus de zus van W.), en na vlees is nu ook koffie altijd verkeerd (aldus https://www.sustainablebusinesstoolkit.com). ik bedenk met welke warme drank ik mijn leemtes dan wel zal vullen, welk koekje voor het bloeden. Hij zal me niet meer bellen, dus in mijn ooghoek de wachters van de nacht. van de non-lieux op de tak, op de morgen, de dag van morgen weer. straks de trein op en wat staren, wat tukken misschien. is dan eindelijk het dijnen genoeg?
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
1. zoals bij boze stripfiguren
2. Ibid.
3. Wetboek voor Strafvordering: Eerste Boek, Hoofdstuk IV, Afdeling II, Artikel 47bis, §2. Vooraleer wordt overgegaan tot het verhoor van een verdachte, wordt aan de te ondervragen persoon op beknopte wijze kennis gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord en wordt hem meegedeeld dat:
1) hij als verdachte wordt verhoord en dat hij het recht heeft om voor het verhoor een vertrouwelijk overleg te hebben met een advocaat naar keuze of een hem toegewezen advocaat, en zich door hem kan laten bijstaan tijdens het verhoor, in zoverre de feiten die hem ten laste kunnen worden gelegd een misdrijf betreffen waarvoor een vrijheidsstraf kan worden opgelegd; en, in geval hij niet van zijn vrijheid is benomen, hij zelf de nodige maatregelen moet nemen om zich te laten bijstaan;
4. Wetboek voor Strafvordering: Eerste Boek, Hoofdstuk IV, Afdeling II, Artikel 47bis, §2. 2) hij de keuze heeft na bekendmaking van zijn identiteit om een verklaring af te leggen, te antwoorden op de hem gestelde vragen of te zwijgen; 3) hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen;

Schrijf ons.
Met Mens me. willen we je graag uitnodigen om ook jou bedenkingen, inzichten, verhalen met ons te delen.

