
Nyira Hens
Nyiragasigwa Hens (1979 - Rwanda) is actrice, theatermaakster en docente. Ze coacht al jaren jongeren omtrent podiumkunsten en stemoefeningen, via theater, poëzie en beweging. Nyiragasigwa werkte o.a. voor De Warande, De Veerman en De Nieuwe Spelers. Op het scherm was ze te zien in Het Geslacht De Pauw, Los Zand, Quiz me Quick, Practical Pistol Shooting, Ademloos, Red Light. Ze speelde in voorstellingen van Ontroerend Goed, Het Gevolg, Ze maakte ‘Boom Toudou’, een monoloog voor kinderen over haar levensverhaal in regie
van Dahlia Pessemiers-Benamar.
Samen met Jaouad Alloul richtten de vzw BeHuman op waarmee ze
de stem willen versterken van mensen die hun meerlagige identiteit willen laten gelden. Ze maakte onder BeHuman Phenomenal Women, Unmuted. Ze organiseerde de eerste Poc Pride Belgium in Antwerpen. Zij zet zich ook al jaren in voor RZM - Rwanda en zo veel meer - een organisatie die de belangen van geadopteerde Rwandezen in Vlaanderen verdedigt. Hiervoor kreeg ze de award van “community builder” van de vzw Kilalo.
Het voelt als een zachte maar krachtige oproep om terug te keren naar iets heel essentieels: menselijkheid in haar eenvoudigste vorm. Kleine dingen die groot blijken te zijn. Een groet, een helpende hand, een beetje warmte zonder voorwaarden.
DE KLEINE DINGEN
De kleine dingen van het leven dragen meer gewicht dan we vaak durven erkennen. Opkomen voor elkaar, collegialiteit, solidariteit — het zijn geen grote woorden, maar dagelijkse keuzes. Een “hallo” dat iemand gezien doet voelen. Een handje helpen zonder reden, behalve dat het kan.
Ruimte maken, letterlijk en figuurlijk. Dingen loslaten — zelfs twee televisies — om plaats te maken voor stilte, voor natuur, voor echte ontmoetingen met mensen en dieren. Voor aanwezigheid.
Waarom is het zo moeilijk geworden om nabij te zijn?
Waarom lijkt een knuffel vragen op straat bijna ondenkbaar, terwijl de nood aan verbinding zo tastbaar is?
We leven samen, en toch isoleren we: kinderen, jongeren, ouderen… en ook mensen die leven met HIV of andere kwetsbaarheden. Alsof afstand veiligheid brengt, terwijl het vaak net de eenzaamheid vergroot.
Misschien ligt de echte kracht in het opnieuw durven kiezen voor nabijheid.
Voor samen zijn, zonder oordeel.
Voor mens zijn, simpelweg.
62 jaar levenservaring zegt misschien dit:
dat het uiteindelijk niet de grote prestaties zijn die blijven hangen,
maar de momenten waarop we elkaar echt hebben aangeraakt —
met woorden, met aandacht, met zorg.

Iets om bij te horen.
Wanneer er over kinderen en opvoeding wordt gesproken, hoor je vaak zinnen als: “Als ouder wil je dat je kind goed ontvangen wordt in de crèche, dat het een goede ervaring heeft.” Op zich is daar natuurlijk niets mis mee. Elke ouder wil dat zijn of haar kind veilig is, zich goed voelt en kansen krijgt. Toch klinkt zo’n uitspraak voor mij soms als een typisch antwoord uit een bepaalde leefwereld: de comfortabele, witte middenklasse waarin een stabiele crèche, een bakfiets en een goed georganiseerde dag bijna vanzelfsprekend zijn.
Dat perspectief is niet neutraal. Het veronderstelt een context waarin basiszekerheden — tijd, geld, opvang, veiligheid — al grotendeels aanwezig zijn. Maar voor veel ouders in de wereld, en ook dichter bij huis, ligt de realiteit anders. Voor hen gaat het niet eerst over een “goede beleving” in de crèche, maar over veel fundamentelere vragen: Is er überhaupt opvang? Is er werk? Is er genoeg geld voor voedsel, huisvesting of medische zorg? Wie spreekt over opvoeding vanuit een bevoorrechte positie, vergeet soms hoe groot dat verschil in uitgangspunt kan zijn.
Wat mij ook trof in zijn betoog, was de vergelijking met Scandinavië. Daar, zo werd gezegd, zijn mensen die in crèches werken universitair opgeleid, terwijl hier “iedereen dat kan beginnen”. Hij beseft zelf dat dat elitair klinkt, maar ik begrijp eerlijk gezegd nog steeds niet goed welk punt hij precies wil maken. Is het idee dat mensen met een universitair diploma automatisch beter met kinderen en hun gevoelens kunnen omgaan omdat ze dat hebben gestudeerd?
Die redenering voelt voor mij problematisch. Alsof empathie, zorg en menselijke aandacht vooral het resultaat zijn van academische scholing. Natuurlijk is opleiding waardevol en kan kennis helpen om kinderen beter te begeleiden. Maar zorg reduceren tot een diploma is ook een manier om ervaring, intuïtie en praktische wijsheid te onderschatten — kwaliteiten die vaak net zo essentieel zijn in het werken met kinderen. Het deed mij eerlijk gezegd bijna mijn hoofd doen ontploffen toen ik het hoorde. Niet omdat opleiding onbelangrijk is, maar omdat het idee dat menselijk begrip enkel uit academische vorming voortkomt, een nogal beperkte kijk op zorg en opvoeding verraadt.
Tegelijk is er één idee waar ik hem wél in kan volgen: het principe dat opvoeding niet alleen een taak is van ouders of van één instituut. Het bekende gezegde “It takes a village to raise a child” bevat volgens mij een belangrijke waarheid. Kennis, ervaring en waarden worden niet enkel doorgegeven in klaslokalen of opleidingen, maar ook tussen generaties: van ouderen naar jongeren, van familie naar gemeenschap.
Misschien ligt daar net een blinde vlek in hoe we vandaag naar opvoeding kijken. We hebben een systeem gebouwd waarin scholen een enorm grote verantwoordelijkheid dragen. Eén leerkracht die soms acht uur per dag met een groep kinderen werkt, moet niet alleen kennis overdragen maar vaak ook een deel van de opvoeding opvangen. Dat is een zware en misschien zelfs onrealistische verwachting. Opvoeding en vorming zijn eigenlijk collectieve processen, waarin ouders, familie, buurt, scholen en andere generaties samen een rol spelen.
Wat mij ook opvalt is het taalgebruik rond overwinnen. Het idee dat je door obstakels te overwinnen “volwaardiger mens” wordt. Natuurlijk kunnen uitdagingen mensen vormen. Maar er schuilt ook een gevaar in dat narratief: het kan de indruk wekken dat moeilijkheden noodzakelijk of zelfs wenselijk zijn om een “beter mens” te worden. Alsof ongelijkheid, strijd of gebrek een soort morele leerschool zijn. Dat idee kan makkelijk verhullen dat veel van die obstakels helemaal niet individueel zijn, maar structureel: ongelijkheid, armoede, racisme, of een economisch systeem dat kansen ongelijk verdeelt.
Voor mij is de vraag “wat is mens-zijn?” daarom geen vraag met één duidelijk antwoord. Misschien is het zelfs een open vraag die we nooit volledig kunnen vastleggen. In plaats van te definiëren wat de mens is, stel ik liever een andere vraag: hoe zouden we de mensheid graag willen zien?
Mijn antwoord daarop klinkt misschien cliché, maar clichés bestaan soms omdat ze een eenvoudige waarheid raken. Ik zou willen dat mensen verdraagzamer zijn. Dat basisbehoeften — voedsel, huisvesting, zorg, onderwijs — overal ter wereld beschikbaar zijn voor iedereen. Dat het enorme wereldkapitaal niet geconcentreerd blijft bij een kleine groep, maar eerlijker verdeeld wordt.
Dat zijn grote, misschien zelfs utopische ideeën. Maar ze verschuiven de focus van individuele “overwinning” naar collectieve verantwoordelijkheid. Niet: hoe wordt iemand een volwaardig mens door strijd te overwinnen? Maar: hoe bouwen we een wereld waarin mensen minder moeten vechten om simpelweg mens te kunnen zijn?
Misschien ligt menselijkheid precies daar: niet in het verheerlijken van obstakels, maar in het verminderen ervan — voor zoveel mogelijk mensen.

Toen ik naar de podcast Mens me luisterde, bleef één vraag nazinderen: Wat betekent het om mens te zijn? Elke gast krijgt die vraag voorgeschoteld. Wat mij het meest raakte, was niet zozeer het antwoord daarop, maar jullie gesprek over de dood.
Misschien is dat geen toeval. Want hoe we naar de dood kijken, zegt misschien wel meer over ons leven dan we beseffen.
Jullie uitspraak "het leven is ook de dood" vond ik bijzonder krachtig. Leven en dood zijn geen tegenpolen; ze horen onlosmakelijk bij elkaar. Toch lijken we in het Westen, en zeker in ons kleine België, de dood steeds verder weg te duwen. We vieren het leven, maar erkennen de dood nauwelijks als onderdeel ervan.
Misschien eren we het leven zelfs te weinig.
We kennen een beperkt aantal rituelen: een geboorte, verjaardagen, een huwelijk, feestdagen en uiteindelijk een begrafenis. Maar daartussen liggen zoveel overgangen die even betekenisvol zijn en die nauwelijks een plaats krijgen. Terwijl rituelen net helpen om veranderingen te markeren, emoties te delen en herinneringen te creëren.
En die rituelen hoeven niet altijd eeuwenoud of religieus te zijn. Misschien mogen we ze zelf creëren.
Enkele dagen voordat mijn baarmoeder werd verwijderd, gaf ik een feest. Met de funky naam "Womb there it is." Ze hadden baarmoeders voor me uitgeknipt en als verjaardagslingers overal opgehangen. De Staande Ovulatie is komen draaien AKA Dj Schwarzkopf en Marieke Loose in het cafe Maurice en Dietrich.En mijn toenmalig lief had een prachtige spoken word tekst gebracht. Wat hebben we gedanst en gevierd…
Niet omdat er iets te vieren viel in de klassieke betekenis van het woord, maar juist omdat ik een belangrijk hoofdstuk wilde afsluiten. Ik wilde niet dat die gebeurtenis zomaar voorbijging. Ik wilde stilstaan bij wat ik verloor, maar ook bij wat geweest was.
Met die operatie eindigde ook de mogelijkheid om ooit biologisch leven door te geven, hoewel ik nooit die ambitie heb gekoesterd. Dat is geen klein verlies. Toch wilde ik dat afscheid niet alleen dragen. Ik wilde mensen samenbrengen, lachen, eten, herinneringen maken en samen erkennen dat er iets veranderde. Dat ik veranderde.
Dat feest hielp mij meer dan stilte ooit had gekund.
Daarom wil ik een pleidooi houden voor het vieren van overgangen. Niet alleen de vrolijke, maar ook de pijnlijke. Wanneer je de kans krijgt om een herinnering bewust vast te leggen, maak er dan een ritueel van. Maak er een feest van, hoe vreemd dat misschien ook klinkt.
Wat ik daarin bewonder aan Zuid-Europese culturen, is hoe collectief verdriet wordt gedragen. Er wordt gehuild, geroepen, gezwegen, gelachen, gegeten, gedronken en herinnerd. Je voelt dat een overlijden niet alleen het verdriet is van één familie, maar van een gemeenschap.
Er bestaat het bekende gezegde: It takes a village to raise a child. Volgens mij geldt het omgekeerde evenzeer: It takes a village to bury a person.
Rouw is geen individuele opdracht. Ze vraagt om een gemeenschap die durft aanwezig te zijn.
Ook de psychoanalyse benadrukt dat gezonde rouw niet betekent dat je je emoties beheerst, maar juist dat je ze toelaat. Rauwe, ongefilterde gevoelens zijn geen teken van zwakte; ze zijn essentieel om verlies werkelijk te kunnen verwerken. Misschien hebben we in onze samenleving te veel geleerd om verdriet netjes binnen de lijntjes te houden.
En misschien schrijf ik dit ook wel aan mezelf. Ik ben niet iemand die grote emoties gemakkelijk toont. Ik draag veel vanbinnen en heb geleerd om sterk te zijn, eerder dan kwetsbaar. Juist daarom is dit pleidooi ook een uitnodiging aan mezelf: om verdriet, verlies en ontroering meer ruimte te geven. Niet omdat emoties een doel op zich zijn, maar omdat ik geloof dat ze ons dichter bij het leven brengen.
Gelukkig merk ik dat er langzaam een nieuwe wind waait. Steeds meer mensen kiezen voor een afscheid dat persoonlijker is. Begrafenissen worden minder gestuurd door vaste religieuze vormen en meer door het leven van degene die gestorven is. Er is ruimte voor eigen muziek, eigen woorden, eigen rituelen.
Dat vind ik een hoopvolle evolutie.
De kerk heeft eeuwenlang bepaald hoe wij afscheid namen van onze dierbaren. Voor velen bood dat houvast, maar vandaag ontstaat gelukkig meer ruimte voor maatwerk. Een afscheid hoeft niet volgens een vast stramien te verlopen om betekenisvol te zijn.
En muziek speelt daarin een onmisbare rol. Soms zegt een lied meer dan een toespraak ooit kan.
Wat mij misschien nog het meest fascineert, is dat onze visie op de dood bepaalt hoe we leven. Wie de dood vooral ziet als iets angstaanjagends, zal vaak anders in het leven staan dan iemand die haar beschouwt als een onvermijdelijk onderdeel van het bestaan.
Religie speelt daarin een grote rol. Elke levensbeschouwing probeert op haar eigen manier betekenis te geven aan het einde van het leven. En toch delen we uiteindelijk allemaal dezelfde zekerheid: we worden geboren en op een dag sterven we.
Dat is de enige universele afspraak die niemand kan ontlopen.
Misschien verklaart dat ook waarom de mens al duizenden jaren gefascineerd is door het eeuwige leven. Van mythen over het levenselixer tot de hedendaagse zoektocht naar levensverlenging en technologische onsterfelijkheid: telkens opnieuw proberen we de dood uit te stellen of zelfs te overwinnen.
Maar misschien ligt de essentie niet in langer leven.
Misschien ligt ze in bewuster leven.
Ik vraag me ook af hoe onze wereld eruit zou zien als ieder mensenleven werkelijk evenveel waard was. Als niemand hoefde te sterven omwille van macht, geld, territorium, jaloezie of religie. Als iedereen toegang had tot zijn basisbehoeften en waardigheid. Zouden er dan minder redenen zijn om elkaar te vernietigen?
Het blijft een utopische gedachte, maar misschien begint ze wel bij de manier waarop we leren kijken naar leven én dood.
Na het beluisteren van Mens me bleef ik uiteindelijk met een andere vraag achter dan degene die aan elke gast wordt gesteld.
Niet: Wat betekent het om mens te zijn?
Maar misschien wel de belangrijkere vraag:
Wat betekent het om werkelijk te leven?

Samenblijven en loslaten.
Toen ik naar de podcast Mens me luisterde, bleef er vooral één stuk hangen.
John vertelde hoe hij zichzelf omschrijft als iemand die zich gemakkelijk aanpast.
Iemand die assimileert. Pas later in het gesprek hoorde ik dat hij een man van kleur is. Op dat moment viel voor mij iets op zijn plaats.
Ik wil absoluut niet spreken in zijn plaats. Iedereen beleeft zijn identiteit, zijn afkomst en zijn plaats in de wereld op een andere manier.
Toch herkende ik iets fundamenteels in wat hij vertelde.
Niet omdat we dezelfde persoon zijn.
Maar omdat ik iets herken dat ik zelf jarenlang nauwelijks heb opgemerkt.
Ik ben geadopteerd en opgegroeid in een warm, liefdevol en fantastisch wit gezin.
Daar ben ik dankbaar voor. Mijn jeugd werd gekenmerkt door veiligheid, kansen en liefde. Mijn adoptie is niet het verhaal van een gemis aan liefde.
Maar tegelijk groeide ik op als het enige kind van kleur in mijn gezin, vaak ook in mijn klas, mijn vriendenkring en vele andere omgevingen.
Dat besef lijkt klein, maar het vormt je op manieren die je pas veel later begint te begrijpen.
Je leert namelijk al heel jong dat opvallen energie kost.
Niet omdat iemand dat letterlijk zegt.
Maar omdat je lichaam het leert.
Je ontwikkelt bijna instinctief de vaardigheid om jezelf af te stemmen op de dominante groep.
Je kijkt hoe anderen praten, hoe ze reageren, waar ze om lachen, welke woorden ze gebruiken, hoe ze zich gedragen.
Zonder dat iemand je dat bewust aanleert, probeer je zo weinig mogelijk de uitzondering te zijn.
Ik noem het soms een kameleonhuid.
Niet omdat je onecht bent.
Maar omdat aanpassen veiligheid biedt.
Pas veel later ontdekte ik dat daar woorden voor bestaan. Sociologen spreken over assimilatie.
Anderen hebben het over code-switching: het voortdurend aanpassen van je gedrag, taal of houding aan de omgeving waarin je je bevindt.
Voor veel mensen van kleur is dat geen bewuste strategie.
Het is iets wat zo vanzelfsprekend wordt dat je nauwelijks nog merkt dat je het doet.
En precies daarom raakte Johns verhaal mij.
Ik hoorde niet alleen iemand die zich aanpast.
Ik hoorde iemand die iets beschreef waarvan ik dacht dat het gewoon mijn persoonlijkheid was.
Pas de laatste jaren, sinds ik meer mensen van kleur heb leren kennen en met hen diepere gesprekken voer, begon ik te beseffen dat mijn ervaring niet uitsluitend de mijne is.
Ik ontmoette mensen die niet hun hele leven de enige persoon van kleur in de ruimte waren.
Mensen die opgroeiden in families waar hun uiterlijk vanzelfsprekend was.
Mensen die zich nooit hoefden af te vragen of ze "te veel" aanwezig waren.
Hun verhalen lieten mij zien hoe onbewust mijn eigen aanpassing eigenlijk was.
Het was alsof iemand een licht aandeed in een kamer waarvan ik niet wist dat ze donker was.
Ik begon terug te kijken naar mijn eigen leven.
Hoe vaak had ik geprobeerd zo "Belgisch" mogelijk te zijn?
Hoe vaak had ik mijn nieuwsgierigheid over mijn afkomst naar achteren geschoven?
Hoe vaak had ik mezelf kleiner gemaakt zonder dat iemand mij dat expliciet had gevraagd?
Het bijzondere is dat niemand mij daartoe dwong.
Het gebeurde vanzelf.
Juist dat maakt assimilatie zo ingewikkeld. Ze ontstaat vaak niet uit expliciete afwijzing, maar uit het verlangen ergens bij te horen.
Als kind wil je niet degene zijn die voortdurend vragen krijgt over waar je "echt" vandaan komt.
Je wilt niet telkens opnieuw uitleggen waarom je familie er anders uitziet dan jij. Je wilt gewoon onderdeel zijn van de groep.
Dus leer je opgaan in de groep.
Hoe beter dat lukt, hoe minder weerstand je ervaart.
Maar daar zit ook een prijs aan.
Want als je jarenlang vooral bezig bent met aansluiten bij de buitenwereld, stel je jezelf op een dag misschien een moeilijke vraag:
Wie ben ik eigenlijk wanneer ik me niet aanpas?
Ik denk dat veel geadopteerden die vraag herkennen. Maar ik vermoed ook dat veel mensen van kleur die opgroeien in een overwegend witte omgeving dit herkennen.
Niet omdat onze verhalen identiek zijn, maar omdat we allemaal op een bepaald moment hebben geleerd dat harmonie soms belangrijker leek dan zichtbaarheid.
Ik kijk met enorme liefde terug op mijn opvoeding. Mijn familie heeft mij gevormd tot wie ik vandaag ben. Ik heb mij altijd geliefd gevoeld.
En toch sluit liefde niet uit dat je onderweg ook iets van jezelf bent kwijtgeraakt.
Die twee waarheden kunnen naast elkaar bestaan.
Dat is misschien wat ik vandaag steeds meer probeer toe te laten: dat mijn leven niet óf-óf is, maar én-én.
Ik ben blij én nieuwsgierig.
Ik hoor thuis én voel soms vervreemding.
Ik ben gevormd door mijn Belgische opvoeding én draag een geschiedenis met mij mee die ouder is dan mijn herinneringen.
Misschien is identiteit daarom nooit iets dat je één keer vindt.
Misschien is het iets waar je je hele leven opnieuw toe leert verhouden.
De podcast deed mij beseffen hoe subtiel die zoektocht kan zijn.
Niet luid.
Niet dramatisch.
Maar stil.
Bijna onzichtbaar.
Zoals een kameleon die zo lang van kleur verandert dat hij vergeet welke kleur oorspronkelijk de zijne was.
En misschien is een volwassen mens worden niet zozeer het vinden van een nieuwe identiteit.
Misschien is het langzaam durven afpellen van alle lagen waarmee je jezelf ooit beschermde.
Niet om iemand anders te worden.
Maar om dichter te komen bij degene die er altijd al was.
Dat maakt me mens.
Dat maakt ons mens.

Schrijf ons.
Met Mens me. willen we je graag uitnodigen om ook jou bedenkingen, inzichten, verhalen met ons te delen.

