top of page
Sterre-1.jpg

Sterre Meynckens

Sterre is masterstudent Sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel. Wanneer de bomen vallen, m.a.w. wanneer nodig, is hij burgerlijk ongehoorzaam activist. Met eenzelfde toewijding kan je hem ook terugvinden op onze Belgische festivals en als er niet gestudeerd, betoogd of luidkeels gezongen wordt, zit hij liefst 's avonds laat op een stadsplein met een kebab.

Aflevering 1: Dominique

Een wederkerend thema in het gesprek tussen Dominique en Ebe is de evolutie van interpersoonlijke relaties. Dat zijn de sociale relaties die een persoon heeft met anderen rondom zich, wat Dominique ook wel ‘verbinding’ noemt. Hiertegenover staat dan weer het intrapersoonlijke. De relatie die iedereen heeft met zichzelf, waaruit men ook een identiteit vormt. Volgens Dominique zijn die twee relaties keerzijden van dezelfde medaille. Zo wordt onze identiteit en ons zelfbeeld doorgaans geconstrueerd in interactie en relatie met anderen. We internaliseren de blik van een ander om naar onszelf in de spiegel te kijken.

Doorheen de geschiedenis evolueren de verwachtingen die we hebben over specifieke sociale relaties. Erg impactvol zijn bijvoorbeeld de verwachtingen die men heeft van genderrelaties; de maatschappelijke verhoudingen tussen o.a. mannen en vrouwen. Neem nu het huwelijk tussen een man en een vrouw. Historisch gezien was dat veelal een economische overeenkomst tussen families. In pre-industriële boerengemeenschappen ging dit vaak simpelweg over het samenbrengen van akkerland, terwijl een huwelijk bij de maatschappelijke elite soms grote politieke gevolgen had. Ontelbare maatschappelijke ontwikkelingen later leren we pas het romantische huwelijk als standaard kennen. Partners dienen naar verwachting verliefd, en elkaars levenslange bron van affectie te zijn. Hun eventuele kinderen hebben hun economische functie ook afgeworpen. Er wordt verwacht dat zij thuis geen werk of arbeidsintensieve taken meer krijgen, maar zorg en liefde. Vandaag worden romantische relaties soms nog verder belast met erg persoonlijke sociale verwachtingen. Als partners moet je niet enkel van elkaar houden en eventueel samen een gezinsleven uitbouwen, je moet ook elkaars beste vriend zijn, nu en dan elkaars therapeut spelen, enzovoort. Hedendaagse romantische partners spelen opmerkelijk veel rollen. Eigenlijk verwachten we vandaag vaak dat één persoon de functies van verscheidene sociale relaties tegelijk kan vervullen. Dominique en Ebe dagen doorheen hun gesprek die hedendaagse verwachtingen van de romantische relatie uit. Want niet alleen zijn er veel verwachtingen naar de partner toe, een romantische relatie kan in sommige gevallen ook een quasi-monopolie hebben op de inspanningen die iemand voor zijn sociale leven maakt. “Wie heeft ons wijsgemaakt dat de romantische relatie bovenaan de piramide staat?”, klinkt het. Wat als we onze andere belangrijke sociale relaties onderhouden met dezelfde zorgzaamheid en zorgvuldigheid als een romantische relatie? Pas dan worden volgens Dominique de mensen achter die relaties echt deel van een gezonde, betekenisvolle sociale kring.

 

Naast het huwelijk zijn genderrelaties doorheen de geschiedenis op nog meer manieren sterk veranderd. Zo streven opeenvolgende feministische golven sinds de 19e eeuw naar een samenleving met minder ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. In de kritische feministische theorie noemen we een samenleving waarin mannen een dominante rol spelen een patriarchaat. Ondanks dat mannen in een patriarchaat een dominante rol krijgen, is dat systeem ook voor mannen niet gezond, zo stelt Ebe. De interpersoonlijke verwachtingen van het patriarchaat worden aan zowel vrouwen als mannen  opgedrongen. Dit kan leiden tot de internalisering van stereotiepe eigenschappen en een destructieve impact hebben op de relatie met jezelf. Daardoor worden ongelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen verder in stand gehouden. Iemands interpersoonlijke sociale relaties en zelfbeeld blijven namelijk keerzijden van dezelfde medaille. Daarnaast is een man die de dag van vandaag in onze samenleving geboren wordt, niet de oorzaak van de reeds bestaande ongelijke verhouding tussen gendergroepen. Wel zijn de mannen van vandaag verantwoordelijk voor hoe ze zich met hun privileges navigeren binnen dat bestaande systeem, besluit Dominique. We doen er goed aan te onthouden dat de tendensen die de mens in het verleden in staat stelden om onrecht en ongelijkheid te creëren, ook vandaag nog bestaan. 

Het theater van de dominante structuur.

Bekijk hier het gesprek met Dominique Mertens.

Aflevering 2: Marjan


Volgens Marjan is de mens fragiel. In tegenstelling tot andere dieren hebben we geen stugge vacht die ons beschermt tegen het klimaat. We hebben ook geen robuuste spijsvertering die ons in staat stelt om probleemloos ongekookt voedsel te verteren, zo vertelt ze. Als individuen zijn we eigenlijk niet zo sterk. En juist omdat we fragiel zijn is connectie met andere mensen levensnoodzakelijk, stelt Marjan. Op ons eentje kunnen we niet overleven, samen wel. In de wetenschappelijke literatuur over menselijke evolutie kunnen we echter ook een theorie vinden die de link omgekeerd legt. De zelf-domesticatie hypothese stelt dat mensen juist ‘fragiel’ zijn geworden omdat we in groep leven. Een groep heeft nood aan individuen die goed kunnen samenwerken, een bepaalde mate van emotionele intelligentie hebben en niet agressief zijn tegenover andere groepsleden. Mensen die niet aan die eigenschappen voldoen zijn gedurende duizenden jaren uit hun groepen verstoten, waarna ze ook geen nakomelingen meer konden voortbrengen. Als gevolg van dit proces heeft de moderne mens genen meegekregen die ons enorm vriendelijke samenwerkers maken, die uitstekend naar elkaar kunnen luisteren. Bepaalde genetische neveneffecten van deze evolutionaire selectie op basis van vriendelijkheid en samenwerking komen terug in verschillende gedomesticeerde dierensoorten. Minder beharing, kleinere tanden, meer vrouwelijke en jeugdige uiterlijke kenmerken, enzovoort. Dat verschil zie je terugkomen in de vergelijking tussen bijvoorbeeld een wild zwijn en een boerderijvarken, een wolf en een hond, maar ook tussen een Neanderthaler en een moderne mens. Tegenover een Neanderthaler is de mens inderdaad maar fragiel. Hoe je het ook bekijkt, die kwetsbaarheid lijkt samen te gaan met het groepsleven waarvoor we gemaakt zijn.

 

Om te illustreren in wat voor groepen onze prehistorische voorouders en sommige hedendaagse jagers en verzamelaars nog steeds leven, vertelt Marjan dat een doorsnee mens slechts 120 gezichten kan herkennen. Daarom groeten we niet iedereen die we tegenkomen in een grote stad, legt ze uit. En hoewel het klopt dat mensen in kleine groepen leefden, kunnen we wel degelijk meer dan 120 gezichten herkennen. Volgens onderzoek onthouden mensen er gemiddeld 5000, maar dit kan zelfs oplopen tot 10 000 gezichten. Daarnaast maakt Marjan wel een goed punt. We zijn genetisch geëvolueerd om in groep te overleven, maar niet voor een bestaan in een moderne stedelijke omgeving. Vanuit voorbeelden die vooral met grote onderwijsinstellingen te maken hebben beschrijft ze als het ware de schaalnadelen van de verstedelijkte samenleving. Als gevolg ziet ze een fragmentatie van sociale cohesie. De opinie dat het stadsleven onwenselijke psychologische en sociale gevolgen kan hebben deelt ze met de Duitse filosoof en socioloog Georg Simmel. Die schreef in 1903 reeds over de mismatch tussen de natuurlijke reacties van de mens en de oneindige stroom aan onverwachte en intense stimuli die we ervaren in een grootstad. Het leven in kleinere groep, bijvoorbeeld in een dorp op het Duitse platteland aan het begin van de 20ste eeuw, noemt Simmel rustig en habitueel. De sociale relaties zijn er vredig en voorspelbaar, waardoor de mensen er een mentale kalmte ervaren. Binnen een kleinere groep kunnen de dingen trager gaan, en kan men uitgebreide en soms emotionele gesprekken voeren met wie men tegenkomt. Dit is volgens Simmel in groot contrast met de prikkels die de mens ervaart in een grootstad. Die zijn zo veelvuldig dat stadsmensen noch de energie, noch de capaciteit hebben om er één voor één op te reageren. Ze zijn volgens Simmel genoodzaakt hun gedrag en hun houding aan te passen. Zo verklaart Simmel wat hij noemt de ‘blasé-attitude’ van de stadsmens. Omdat de natuurlijke emotionele reacties op al die prikkels gewoonweg te groot en te zwaar zouden zijn, schakelen de stadsmensen over op een drogere, meer terughoudende kijk op de dingen. Ze gedragen zich afstandelijker tegenover elkaar, hun uitstraling is er een van verveling en arrogantie. Sociale ontmoetingen met anderen in een stad zijn namelijk vaak kort, ‘to-the-point’ en onpersoonlijk. Ook Marjan merkte al op dat we niet telkens iedereen die we tegen het lijf lopen in de stad vriendelijk groeten. 

 

Dan kan je je beginnen afvragen hoe het samenleven in groep vandaag de dag dan wél moet, en hoe we daar met z’n allen geraken. Volgens Marjan is fundamentele verandering in een sociale groep slechts mogelijk wanneer er een kritieke massa van minstens 25% van de groepsleden achter de verandering staat. Hoewel dat idee vaak gebruikt wordt om mensen te activeren in de context van politiek activisme, bestaat er voor de theorie van de kritieke massa geen wetenschappelijke consensus. Maar ook als je er wel in gelooft, is 25% in een grootstedelijke populatie al een enorm aantal mensen. Zeker als je die één voor één moet overtuigen van een andere manier van samenleven. Daarnaast zou grote sociale verandering volgens Marjan moeten gebeuren binnen een proces van ‘deep democracy’. Dat is een methode voor inclusieve beleidsvorming en conflicthantering, waarbij het belangrijk is dat elke mening telt. Door systematisch minderheidsstemmen mee te nemen in besluitvorming tracht deep democracy conflicten op te lossen en fragmentatie van de groep tegen te gaan. Zonder dit proces zou echte verandering telkens gedwarsboomd worden door leden van de groep die zich niet gehoord voelen. Maar ook hier ziet Marjan een probleem. Volgens haar is zo’n complex proces van deep democracy eigenlijk enkel mogelijk in kleine groepen, zoals degene waarin onze prehistorische voorouders en sommige hedendaagse jagers en verzamelaars nog steeds leven. Het lijkt er echter op dat we moeten accepteren dat de globale verstedelijkingsgraad, als gevolg van demografie, klimaatverandering, migratie en socio-culturele dynamieken, in de voorzienbare toekomst nu eenmaal zal blijven stijgen. We mogen bij het bouwen aan verbindende manieren van samenleven de grootstedelijke context niet de rug toekeren. Gelukkig zou iets zo eenvoudig als een meerjaarlijks straatfeest ook al een stap in de goede richting kunnen zijn.

In de grond waar je staat.

Bekijk hier het gesprek met Marjan De Ridder.

Aflevering 3: Gert

Waar ligt de balans tussen formele sociale zorg en informele gemeenschappelijke nabijheid? Hoe moet de verantwoordelijkheid voor het opvangen van zorgbehoevende mensen verdeeld worden? Gaan we er te vaak van uit dat onze ongelukkige buren, vrienden of familieleden wel terecht zullen kunnen in geïnstitutionaliseerde zorgorganisaties terwijl we beter de hand in eigen boezem zouden steken? Gert vertelt dat zijn moeder het vanzelfsprekend vond dat hij in het professionele sociale werkveld terechtkwam, omdat ze hem reeds als kind zag zorgen voor leeftijdsgenootjes die uit de boot vielen. Hij maakte van zijn neiging tot zorgen een job; van informeel naar formeel, van een privécontext naar een professionele context. Nu noemt hij zichzelf ook wel eens een ‘professionele vriend’. Een luisterend oor en een paar open armen voor zij die lijden onder eenzaamheid, de snelheid der dingen en die van de samenleving geen tweede kans krijgen. En het is duidelijk dat er mensen zijn die veel hebben aan zo’n professionele vriendschap, en dat dit werk erg waardevol is.

 

In zijn gesprek met Gert oppert Ebe dat er misschien minder mensen in de formele sociale zorg zouden terechtkomen als ze vanuit hun informele kring voldoende steun zouden ervaren. Ook vraagt hij zich af of we in het tijdperk van individualisme niet soms te snel een grens trekken wanneer iemand uit onze sociale omgeving om hulp vraagt, onder het mom van het bewaken van onze eigen mentale rust of gezondheid. In een perfecte wereld zou er misschien helemaal geen formele zorg moeten bestaan, omdat alle nodige steun kan voortkomen uit de gemeenschap. Is formele zorg dan eigenlijk slechts noodzakelijk in een zieke samenleving? De belangrijkste hedendaagse gezondheidsproblematieken, zowel fysiek als mentaal, worden ook wel eens ‘man-made diseases’ genoemd. Ze zijn voornamelijk het gevolg van omstandigheden en levensstijlpatronen die door de mens zelf gecreëerd worden. Je zou kunnen opperen dat als we deze patronen zelf veroorzaken, we ze ook zelf vanuit onze gemeenschappen kunnen aanpakken.

 

Toch merkt Gert op dat steun bieden of zorgen voor iemand soms beter lukt in een professionele context dan in een privécontext. Dit komt volgens hem door de emotionele verbondenheid die ons soms in staat stelt, of ons juist tegenhoudt, om ons kwetsbaar op te stellen naar naasten toe. Soms zorgt de sociale band met iemand die we persoonlijk kennen er juist voor dat we hen niet om hulp willen vragen. Zolang er schaamte en taboes bestaan rond zorgbehoevendheid, zal informele zorg dus niet volstaan. Daarnaast wijst Gert er vanuit zijn ervaring als zorger ook op dat je niet altijd hetzelfde kan bereiken met de handvaten die je van thuis meekrijgt in vergelijking met de tools die men hanteert in een professionele context. In die zin komt de formele zorg wel degelijk tegemoet aan noden die niet helemaal beantwoord kunnen worden binnen de eigen sociale gemeenschap.


Maar het is ook niet realistisch om ervan uit te gaan dat we alles moeten overlaten aan geïnstitutionaliseerde organisaties. Mensen beginnen namelijk voor tal van redenen spontaan voor elkaar te zorgen. Uit onderzoek blijkt dat de belangrijkste motivatie zelfs niet eens de hoge financiële kost van professionele zorg is, maar simpelweg dat mensen geven om hun naasten en hen niet aan hun lot willen overlaten. Lokale sociale netwerken kunnen dan ook een veel persoonlijkere combinatie van emotionele en fysieke steun voorzien dan mogelijk is in de meeste formele organisaties. Zelfs wanneer men wel naar formele steun grijpt, blijft de nood voor informele zorg bestaan. En er zijn nog argumenten om in te zetten op de combinatie van zowel professionele als informele hulp. Informele zorg komt meestal op de schouders van vrouwen terecht. Om ervoor te zorgen dat ook zij de arbeidsmarkt kunnen blijven betreden of zich kunnen focussen op andere zaken, dienen er genoeg professionele alternatieven te zijn. Anderzijds moet ook informele zorg meer ondersteuning te krijgen van overheidswege, zodat steeds meer verschillende mensen op een gezonde manier een deeltje van die taak kunnen opnemen. Als we allemaal nu en dan even vliegende keeper van de sociale steun worden, kunnen we het doel misschien juist beter bereiken.

Wie je nu bent.

Bekijk hier het gesprek met Gert Ongenaet.

Aflevering 4: Saloua

 

 

Draait het leven als mens rond twijfel? Twijfelen aan jezelf en je identiteit doet iedereen wel eens. Volgens Saloua en Ebe maakt twijfel het mogelijk om te blijven veranderen, om niet vast te roesten in beslissingen uit het verleden. Het is een voedingsbodem voor persoonlijke groei, en volgens Saloua is het ook de essentie van het mensenleven. Twijfel speelt volgens mij zeker een belangrijke rol in het menselijk bewustzijn. Het kan pas ontstaan nadat automatische reflexen en instincten die we voor bepaalde situaties hebben opgebouwd uit de weg worden gegaan. Als ons brein in staat is om actief keuzes te overwegen, dan kunnen we ze indien nodig ook tijdig bijsturen. Zo voorkom je blindelings een ongewenst pad te bewandelen.

 

Anderzijds kan overmaatse onzekerheid over je positie in het leven ook minder mooie gevolgen hebben. Zo vertelt Saloua dat wanneer ze te veel aan zichzelf twijfelt, ze soms imposter syndrome ervaart. Ze vraagt zich dan bijvoorbeeld af of ze zichzelf wel als ‘echte volwassene’ ziet, en niet eerder als een eeuwig kind in een volwassen lichaam. En wat brengt twijfel ons vandaag eigenlijk? In een moderne wereld waarin vooruitgang en emancipatie is uitgemond in consumentisme en (over)digitalisering, denken we mogelijks meteen aan zaken zoals keuzestress en FOMO. Een mens die geconfronteerd wordt met een overdaad aan opties en keuzevrijheid, maar ook grote druk en beïnvloeding, lijkt wel kort te sluiten. Dat zijn misschien voorbeelden van niet-constructieve twijfel.

 

Maar de menselijke gave tot twijfel heeft ons ook in staat gesteld om op systematische wijze dogma’s in vraag te stellen. Om als mens bewust gedragspatronen te doorbreken en niet zomaar in te gaan op impulsen. Om niet zomaar te aanvaarden wat onze oren lijken te horen, onze ogen lijken te zien of wat ons verteld wordt. Om nieuwe bevindingen te doen en daar steeds uit te leren. Het heeft ons met andere woorden de wetenschap gegeven. Één van de belangrijkste pijlers van het wetenschappelijk proces is namelijk een kritische houding tegenover de status quo. Die wordt belichaamd door de stevige portie nieuwsgierigheid en twijfel die ieder van ons van bij de geboorte op zak heeft. Ergens bij stilstaan om even te twijfelen is paradoxaal genoeg misschien wel de meest productieve activiteit die het menselijk brein ooit heeft ondernomen. Over of het de essentie van het leven is twijfel ik nog, maar het verdient zonder twijfel meer waardering voor alle goede keuzes die het de mens doorheen de geschiedenis al hielp maken.

Ik heb je nodig.

Bekijk hier het gesprek met Saloua Hassani

Schrijf ons.

Met Mens me. willen we je graag uitnodigen om ook jou bedenkingen, inzichten, verhalen met ons te delen. 

Mens me.

Beankt voor het delen.

bottom of page